Dan Brown – Het verloren symbool

Ik ben er weer ingetrapt! Opnieuw heb ik een boek van Dan Brown gelezen. En ook dit keer had ik de hoop dat het verhaal dit keer wel een bevredigend einde zou hebben. Zo langzamerhand krijg ik het idee dat Dan Brown het met opzet doet, dat hij er een kick van krijgt om lezers een spannend en intrigerend verhaal voor te schotelen om het vervolgens met een sisser te laten aflopen.

Het boek heet dit keer “Het verloren symbool”. Maar dat symbool blijkt helemaal niet verloren! Tsss, wie had dat nou gedacht? Dat het niet verloren is, wordt trouwens al in de eerste paar hoofdstukken duidelijk, zodat de lezer voor de vraag wordt gesteld: “waar gaat het boek dan WEL over?”.

Waar het boek wel over gaat is voor de doorgewinterde Brown-lezer geen nieuws: Robert Langdon, de suffe professor in geheimzinnige dingen en aanverwante zaken, raakt verwikkeld in een mysterieus mysterie vol symbolische symboliek, die alles te maken heeft met vrijmetselaars, Nieuwe Wereldorde, de Bijbel en diverse net-iets-te bekende kunstwerken en cultuur-historische figuren. Natuurlijk bijgestaan door een vrouw. En uiteraard ontloopt hij diverse autoriteiten alsof hij 007 himself is. Bijzonder is dat het dit keer niet in Europa afspeelt, maar in Washington D.C. Ook daar schijnen genoeg historische fabels te zijn die je in een boek kunt misbruiken.

De kracht van Brown zit hem in de aanloop naar het einde – die begint heel traag en maakt de lezer nieuwsgierig naar de oplossing van het mysterie. Brown houdt de lezer vast door steeds wat meer informatie vrij te geven, steeds meer en meer… Om vervolgens in een ongekend tempo ontzettend veel onzinnige en nutteloze feiten over de lezer heen te storten dat het uiteindelijke einde als een verstikkende, voorspelbare anti-climax uit de pagina’s scheurt. En dan sla ik mezelf voor m’n kop: ik ben er weer ingetrapt. Die Brown doet een kunstje, een invuloefening met altijd dezelfde elementen. Het verloren symbool is niets meer dan een kopie van de Da Vinci Code, maar dan met andere plaatsnamen en een ander meisje. En de Da Vince Code is weer een opgeleukte kopie van het Bernini Mysterie. Uiteindelijk zal alles wel een kopie zijn van een kort verhaaltje dat Dan Brown ooit voor de schoolkrant schreef, maar dat op de valreep werd afgekeurd omdat het einde zo voorspelbaar was.

Oeverloos geouwehoer

cover_hb_moedertheresaAls Herman Brusselmans een boek schrijft met de titel De dollartekens in de ogen van Moeder Theresa is het enigszins verspilde moeite om vooraf te verzinnen waar het boek over zal gaan. Waar het in ieder geval niet over zal gaan zijn die dollartekens in de ogen van Moeder Theresa en het is waarschijnlijk ook geen verhandeling over woekerpraktijken van en strijkstokken in de mondiale hulpverlening in het algemeen en Moeder Theresa in het bijzonder. Conclusies trekken uit de tekst op de achterflap biedt in veel gevallen ook geen uitkomst, omdat Brusselmans deze teksten meestal zelf schrijft en hij nogal eens een loopje neemt met zijn lezerspubliek.

Het boek, of eigenlijk novelle, De dollartekens in de ogen van Moeder Theresa (hierna genaamd ‘het boek’) was de afgelopen weken mijn wc-boek. Voor wie onbekend is met deze term: het wc-boek is het boek waarvan ik, iedere keer als ik langere tijd het kleine kamertje moet bezoeken, minimaal één hoofdstuk moet lezen. Of als het een verhalenbundel is, een verhaal. Momenteel is mijn wc-boek De geur van stof, een verhalenbundel over Afghanistan van de Rus Oleg Jermakov – van een iets ander kaliber dan ongeacht welk boek van Brusselmans en niet gekozen vanwege de toepasselijke titel.

Maar terug naar het boek van onze vrolijke Belg. Het boek is een (semi-autobiografische) vertelling over de eerste stappen in de muziekwereld van de 15-jarige Herman. In eerste instantie wil hij gitaar leren spelen, maar de gitaar wordt al snel ingeruild voor het drumstel. Samen met drie vrienden richt hij de band The Hidden Creators of the Sleepy Daydreams op en Herman schrijft wat ‘Engelse’ teksten rijk met weinigzeggende strofen als “Tjoelala Tjoelala” en “Oh oh oh oh oh oh / Ah ah uh uh ah ah”. Twee achtergrondzangeressen completeren de band en wonder boven wonder krijgen ze opnametijd in een studio. Maar voordat ze voor het eerst optreden verlaten de zangeressen de band. De zanger – een Marokkaanse jongen – wordt bedreigd tijdens het eerste concert en stapt ook op. De overgebleven jongens besluiten een instrumentale band te vormen en veranderen van bandnaam. Dezelfde dag besluiten ze alsnog hun instrumenten in de kast te stoppen. Einde boek.

Herman Brusselmans verstaat de kunst om 19 hoofdstukken vol te schrijven met oeverloos geouwehoer. En het knappe is dat het geen moment verveelt. Hoe kleine Herman met een drumstel naar huis rijdt… maar wacht. Een fragment van dat fragment zal ik even citeren:

Gelukkig was de chauffeur een zwijgzaam type. Hij zei alleen dingen als ‘Uit de weg, klootzak’, ‘Kijk toch uit, stomme aap’ en ‘Zo meteen rijd ik je van de baan, rotwijf’, waaraan hij toevoegde: ‘Het einde van de beschaving kwam in zicht toen vrouwen met de auto begonnen te rijden.’ Had die man gelijk? Ik brak me er verder het hoofd niet over. Als vrouwen met de auto willen rijden moeten ze dat doen. Ze kunnen het trouwens veel beter dan mannen. Dus nee, die man had geen gelijk. Die man was een lul eerste klas en ik keek door het raampje naar wat er buiten zoal te zien was. Daar had je de befaamde windmolen van molenaar Piet. Lang voor zijn overlijden maalde hij er graan mee. […]

Daarna volgt een hele verhandeling over de vrouw van de molenaar die ‘een groot gezwel in haar intieme opening’ had, over haar dokter die naar een concert moest van The Neuts, waar zijn buurman de bas bij speelde en over Mythen en Sagen uit Sint-Niklaas, waarin verteld wordt over een man die rookkringetjes kon draaien uit z’n rechterwijsvinger. Om je een beeld te geven van het niveau.

En ik vind ze heerlijk, die boeken van Brusselmans. Al die onzin, al dat slappe gelul – ik hou er wel van. Vooral als er tussendoor rake dingen worden geschreven, en dat gebeurt! Niet zo vaak, maar toch. Brusselmans laat keer op keer zien dat je ook met gewone woorden een goed boek kunt schrijven. Geen intelligent of aangrijpend of tijdloos of blabla-boek; laat dat vooral niet aan Brusselmans over. Brusselmans is niet van de inhoud, maar vooral van het verhaal. Of zoals hij zo mooi schrijft: “Tjoelala Tjoelala”!

—–
Herman Brusselmans, De dollartekens in de ogen van Moeder Theresa
Prometheus, 2007
star_3

King’s Ransom

Het verhaal van King’s Ransom (Jeff Byrd, 2005) is wel aardig gevonden: een rijke zakenman (Malcolm King gespeeld door Anthony ‘Romeo must die’ Anderson) wil zichzelf ontvoeren om ervoor te zorgen dat zijn vrouw bij de scheiding minder geld krijgt. Zijn vrouw wil hem laten ontvoeren om het maximale uit de scheiding te krijgen. Zijn voormalige assistente (Nicole Parker) wil het om wraak te nemen op een misgelopen promotie. En de nitwit Corey (Jay Mohr) wil het tenslotte om zijn halfzus 10.000 dollar te bezorgen.
Goede ingrediënten voor een dwaze komedie vol verwarring en misverstanden. Helaas heeft regisseur Jeff Byrd een kans laten liggen. De film is namelijk ‘wel aardig’ wat het zelfde wil zeggen als: had je niet beter iets nuttigs kunnen doen?

Mijn advies: ga deze film niet in de bioscoop bekijken, maar wacht tot hij uit is op dvd. En dan, alleen dan, als je op een avond niets bijzonders hebt gepland en je wilt wat vertier en afleiding, huur dan deze film. Maar alleen als er niets beters te huur is. 

Kleine schandalen

Na het lezen van zijn verhalenbundel “Kleine schandalen” over de lotgevallen van de bewoners van een klein, anoniem dorpje op het Griekse platteland, was ik direct weg van de schrijfstijl van Panos Karnezis. Deze in Engeland woonachtige Griek verstaat de kunst om veelzijdige karakters te toveren, waarbij niet zoals bij vele verhalenschrijvers, een enkele slechte of goede eigenschap wordt overbelicht, maar waar personages echt mensen zijn, met hun ups en downs, met geloofwaardige gedachten en onvoorspelbare handelingen.
De angst bestond bij mij dat Karnezis, net als zoveel veelbelovende schrijvers, een ??ndagsvlieg zou blijven; een jonge schrijver (Karnezis is geboren in 1967) die niet om kan gaan met de druk, we hebben het al zo vaak gezien. Met het verschijnen van zijn eerste roman “De Doolhof” maakt Karnezis echter een einde aan mijn angst. Zoals de Kirkus Review treffend schreef:
“Een schitterend relaas over noodlot en toeval, prachtig geschreven met een goed oor voor de muziek van de geschiedenis en voor karakter…”.

Stad der Blinden

De Volkskrant geeft in samenwerking met Uitgeverij Meulenhoff een prachtige serie van tien boeken uit onder de noemer “Nobelprijsbibliotheek”, bestaande uit werken van – hoe kan het ook anders – tien Nobelprijswinnaars waaronder Márquez, Szymborska en Coetzee. Overmorgen (4 december) komt alweer het laatste boek uit in de serie, te weten “De blikken trommel” van Günter Grass. De andere negen liggen hier naast me op een stapel, maar ik moet zeggen dat ik er nog maar één van gelezen heb. En van dit ene boek kan ik niet anders zeggen dat het me compleet heeft verrast.
“De stad der blinden”, zo heet de roman van de Portugees José Saramago die ik met bijzonder veel plezier heb gelezen. Ik begon er met enige weerstand aan, omdat ik altijd had gedacht dat Saramago alleen beroemd was vanwege zijn controversiële ideeën en een ogenschijnlijke voorliefde voor het shockeren. De nominatie van zijn lijvige roman “O Evangelho segundo Jesus Cristo” (1991, verschenen in Nederland onder de titel “Het evangelie volgens Jezus Christus”) voor de Europese literaire prijs Aristeion, werd door de Portugese regering verboden, omdat het boek de katholieke gemeenschap zou belasteren; destijds een schandaal dat volgens enkele critici de voornaamste oorzaak is van de bekendheid en aanzien van de auteur.
Maar nu ik “De stad der blinden” heb gelezen betwijfel ik of die critici gelijk hadden. Al kun je de grootsheid van een schrijver niet aflezen van één enkel werk, toch getuigt deze roman van een onnavolgbaar inlevingsvermogen en fantasie.

De roman opent met een haast surreële scène: een man wacht in zijn auto tot het stoplicht op groen zal springen en op het moment dat dat gebeurt wordt de man spontaan blind. Van het ene op het andere moment heeft hij zijn gezichtsvermogen verloren, maar in plaats van het geijkte zwart, ziet deze man een witte waas. Een voorbijganger brengt de man naar zijn huis en steelt vervolgens zijn auto. Een paar uur later is deze autodief ook blind. Net als de oogarts die de eerste blinde onderzoekt. Net als de agent die de autodief probeert te helpen. Net als een tiental anderen die met een ‘witte blinde’ in aanraking zijn gekomen.
De (blinde) oogarts waarschuwt het ministerie en deze neemt in een paniekaanval het besluit om alle blinden en alle vermoedelijk aanstaande blinden te isoleren van de rest van de maatschappij. De slachtoffers worden verzameld en vervolgens opgesloten in een verlaten psychiatrische inrichting, zonder medische hulp of begeleiding. Elk slachtoffer dat probeert de inrichting te verlaten zal zonder pardon worden neergeschoten.
Wat volgt is chaos. Een tiental blinden, later een honderdtal want het aantal blinden dat in de inrichting wordt gestopt blijft groeien, is volledig op elkaar aangewezen om te overleven in een hun onbekende wereld. Enkelen onder hen hebben echter de hulp van iemand die kan zien, maar dit behoedzaam en angstvallig verzwijgt uit angst als slaaf te worden gebruikt. Het leven in de inrichting is een hel. Een ware modderpoel van verwaarloosde mensen en smerige gangen, stinkende lichamen en de onvermijdelijke schoften en kwaadwillenden. “Zelfs de lucht leek dikker geworden, zware, soms ineens walgelijke geuren dreven in golven door de zaal, Wat moet dit over een week worden, vroeg hij zich af en de gedachte dat ze daar over een week nog zaten joeg hem angst aan, Aangenomen dat er zich geen problemen voordoen met de voedsellevering, en dat is lang niet zeker, ik betwijfel bijvoorbeeld dat ze daarbuiten precies weten met hoeveel we hier zijn, blijft de vraag hoe het met de hygiëne moet, en dan heb ik het al niet eens meer over het wassen, niet bepaald makkelijk als je net blind bent en niemand hebt om je te helpen, of over de douches, of die het doen en hoe land, nee, ik heb het over de rest, de resten, er hoeft maar één wc verstopt te raken, eentje maar, en het verandert hier in een beerput.”
Ondertussen gaat buiten de muren van de inrichting de epidemie rustig verder.

“De stad der blinden” leest als een sneltrein. Saramago heeft er waarschijnlijk bewust voor gekozen om het gebruik van alinea’s en punten tot een absoluut minimum te beperken om zo de vele gedachtegangen en de onvoorstelbare situaties meer kracht te geven. En daarin is hij uitstekend geslaagd. Bovendien weet Saramago soepel met schrijnende voorvallen om te gaan. Met de nodige ironie schetst hij de meest wrede en vreemde gebeurtenissen. Je blijft als lezer met beide benen op de grond, hoewel je onvermijdelijk wordt meegesleurd in het verhaal.
Petje af voor Saramago. Nu de andere negen boeken nog.

P.S. Binnenkort verschijnt van de zelfde auteur “De stad der zienden” over de machtsverhoudingen tussen volk en politiek. Tijdens verkiezingen in een land stemt 70% blanco. Bij herverkiezingen 80%… De regering zet een grootschalige politieoperatie op touw om de activisten die haar politieke basis ondermijnen op te sporen en te elimineren. Een gewelddadige breuk tussen de politieke macht en het volk lijkt onafwendbaar.

Giphart: de voorzitter

Wie mijn schrijfsels een beetje volgt weet dat ik geen hoge pet op heb van de werken van Ronald Giphart. Niet zelden raak ik spontaan verveeld of krijg ik overal jeuk als ik een boek van hem ter hand neem. Een plaatsvervangende schaamte bij het besef dat menigeen Giphart plaatst in de top van de hedendaagse Nederlandstalige auteurs. Een volkomen onbevredigd gevoel bij het ter zijde leggen van één van zijn voortbrengselen. Het gevoel dat mijn hersenen verwaarloosd zijn, week geworden zijn tijdens het lezen van zijn diepste roerselen en openhartige ontboezemingen. Oncontroleerbare drankzucht. Door slaap overmand. Alle hoop op herstel laten varen. De zinloosheid van het bestaan die zich aan mij opdringt. Een schreeuw om humor, om gelach. Honger naar één enkel zinnig woord. De zoete herinnering aan boekverbrandingen.
Kortom, ik behoor niet tot Giphart’s riante schare bewonderaars. Daarbij komt ook nog eens dat ik niet voldoe aan de benodigde vereisten die zo’n positie als discipel met zich meebrengt: vrouwelijk, puber, wereldvreemd en weinig gevoel voor humor.
U zult mijn verbazing begrijpen tot ik onlangs met plezier een boek van Giphart zat te lezen. Ja, ik schrok er zelf ook even van. Ik had zelfs moeite om het weg te leggen op de momenten dat ik schijnbaar iets beters te doen had.
Het boek heet “De Voorzitter”. Geen nieuw werk; het verscheen al in 1999 en beleefde in 2003 zijn zesde druk. Dat ik er niet eerder aan toe gekomen ben, had te maken met prioriteiten en het vreselijke vooruitzicht wat mij allemaal te wachten zou staan (zie alinea 1).
“De Voorzitter” gaat over Epi Brons, een egocentrische, op macht beluste zakenman, die tevens voorzitter is van de voetbalclub Bandstad ’83, een met degradatie bedreigde club uit de eredivisie. Brons is een heuse klootzak. Hij bedriegt zijn vrouw, belazert zijn zakenrelaties en bedreigt iedereen die hem tegenwerkt. Brons is het schoolvoorbeeld van de witteboordencrimineel – verslaafd aan lucratieve (en illegale) geldtransacties, oplichting, belastingontduiking en afpersing. In zijn bureaula ligt een dossier met belastend bewijsmateriaal tegen al zijn potentiële vijanden, dat hij op elk moment tegen ze kan gebruiken om zijn positie te blijven behouden. Chantage is één van zijn meest geliefde machtsmiddelen.
Maar zoals dat gaat met een antiheld: het gaat de laatste tijd niet zo best met Brons. Hij voelt de hete adem van de FIOD in zijn nek en zijn vrouw bedriegt hem met de sterspeler uit zijn elftal. En alsof dat nog niet genoeg is, is zijn dochter Christie psychotisch, zijn ene zoon mislukt, de ander geleerd en homofiel, en de met veel geld aangetrokken trainer Johan Cruyff kan niet met hem door één deur. Zijn imperium stort zichtbaar ineen en ja, verliezen is niet een van Brons’ beste kwaliteiten…
Giphart heeft het met “De Voorzitter” gepresteerd om een vermakelijke roman te schrijven, een uitvergrote parodie op de wereld van de zaken en de voetballerij. Het is pure satire wat uit zijn pen is gerold en ik kan niet anders dan mijn petje afnemen voor de manier waarop Giphart de figuur van Epi Brons heeft neergezet. Die man is in en in slecht. Verderfelijk tot op het bot. Echt een persoon om te haten. Je zou hem zo uit het boek willen sleuren en hem een ram voor z’n kop willen geven, zo levendig en tastbaar is zijn verrotte brein beschreven.
En daarom, beste lezers, zie ik mij genoodzaakt de woorden uit de eerste alinea wat te nuanceren: ik behoor niet tot Giphart’s riante schare bewonderaars behalve waar het “De Voorzitter” betreft. Puntje voor Ronald.

Orths: De Lerarenkamer

De groteske roman “Bint” van F. Bordewijk, verschenen in november 1934, moet gerekend worden tot de meest controversiële romans van de vorige eeuw. Het is een roman over orde, tucht en macht; begrippen die destijds veel gemoederen bezighielden. Het was immers de tijd van het rechts-extremisme en Europa stond aan de vooravond van het totalitaire fascisme.
“Bint” vertelt over de jonge leraar De Bree, die een aanstelling krijgt op een school waar directeur Bint met ijzeren hand de scepter zwaait. De opdracht die de leraren meekrijgen is er één van meedogenloze discipline. Stalen tucht moet er heersen in de klassen, ten koste van alles. Als een van de leerlingen na een slecht rapport zelfmoord pleegt, komen de leerlingen in opstand. Deze opstand wordt hardhandig onderdrukt door de leerlingen uit 4d; de klas van De Bree, die zeer toepasselijk ‘de hel’ wordt genoemd.

In 2004 verscheen bij uitgeverij Podium de roman “De lerarenkamer” van de Duitser Markus Orths. De roman gaat over de jonge leraar Kranich die benoemd wordt tot docent op een gymnasium, waar rector Höllinger de school bestuurt op basis van vier pijlers: angst, ellende, valse schijn en leugens. Door middel van een rigide doorgevoerd verdeel- en heerssysteem probeert de rector zijn medewerkers naar een ondoorgrondelijk ideaal te vormen. Leerlingen zijn bijzaak, alles draait om het sturen en manipuleren van de leraren.

Het zal niemand verbazen dat ik bij het lezen van deze roman van Orths meteen aan “Bint” moest denken. Er zijn veel verschillen, maar de overeenkomsten zijn te opvallend om te negeren. “De lerarenkamer” is uiteraard moderner, maar de centrale gedachte blijft hetzelfde: machtswellust en de illusie van de maakbare mens.
De klas die een belangrijke rol speelt in “De lerarenkamer” is die waar de zoon van de rector inzit: klas 4d.
Toeval? Ik betwijfel het. Ik vermoed dat Orths wel degelijk bekend is met “Bint”, of het moet zo zijn dat de vertalers (Bussink en Schippers) als aardigheidje de naam van de klas hebben veranderd. Ik ga meteen de uitgever e-mailen. Hier moet ik het fijne van weten.

Verder wel een aardige schrijver trouwens, die Markus Orths.

Rosenboom: Spitzen

Het eerste wat ik mij afvraag als ik het boekje wegleg, is wat “Spitzen” te maken heeft met het thema van de Boekenweek 2004: ‘Gare du Nord – Ontmoetingen met Frankrijk’. In dit boekenweekgeschenk van Thomas Rosenboom wordt er twee-, driemaal gesproken over een voorgenomen trip naar Parijs, maar daar blijft het eigenlijk bij. Er wordt gesproken over reizen, maar veel gereisd wordt er niet. Reizen in de letterlijke zin van het woord wel te verstaan, want de hoofdpersoon Han Bijman maakt de geestelijke reis van zijn leven.
Han Bijman is, zoals zijn naam al impliceert, een bijfiguur in de maatschappij, een niemand, de ongewone gewone man. Op z’n vijfenveertigste, nog onberoerd door de verleidingen van de vrouw, raakt hij gefascineerd door de verrukkingen van de tango. Hij is een beginner, een amateur die denkt dat de tango uit ingestudeerde pasjes bestaat, maar ondanks dat besluit hij een van de tangosalons in Amsterdam te bezoeken; de plek waar alleen de echte tanguero’s en milongita’s zich vertonen. Op deze avond ontmoet hij Esther, de vrouw die zijn leven op z’n kop zal zetten. Zij is de vrouw die hem ontmaagd en hem laat kennismaken met de lust en seks, begeerte, verlangen, maar bovenal met illusie en bedrog.

De leidraad van het verhaal is de tango en alles waar het voor staat. Het is de dans van de wellust, van plagen en afhouden, van verleiden en aanraken. De tango is een spel van minnaars; een spel dat Esther tot in de puntjes beheerst, maar waar Han nog slechts naar kan gissen. Hij is de amateur, ook op het gebied van de liefde. Zijn bovenbuurvrouw Machteld probeert hem in het begin van het verhaal al te waarschuwen voor de valkuilen van de tango: “Goed, de man leidt wel, maar denk nooit dat je de leiding ook werkelijk bezit – de vrouw leidt ook, omdat ze de man láát leiden, dat wil zeggen: zolang en in de mate waarin zij wil.”
In de relatie met Esther is zij het die leidt. Zij neemt spelenderwijs het initiatief, stoot hem af en trekt hem aan, negeert hem en verleidt hem. Als je de parallel met de tango tijdens het lezen in je hoofd houdt, is al snel duidelijk dat dit niet lang goed kan gaan. Esther is de meester, waar Han slechts een leerling is. Hij oefent zijn pasjes, terwijl zij al lang en breed met de volgende dans bezig is.

“Spitzen” wordt gedragen door de tangometafoor. Als je de tango uit het boek zou slopen zou er een oninteressant niemendalletje overblijven vol vreemde driehoeksverhoudingen en slechte personages. Rosenboom heeft echter met de metafoor een zo krachtige basis gelegd, dat je meegezogen wordt in de dans van en rond de personages. Iedere affaire, elke ruzie, elke omhelzing krijgt betekenis. Een intrigerende passage is niet meer dan een danspasje; het gaat uiteindelijk om de gehele dans.
En die dans is verbluffend. Han Bijman probeert zich voortdurend aan zijn nieuwe leven aan te passen, maar telkens blijkt hij achter de feiten aan te hollen. De keren dat hij meent de touwtjes in handen te hebben, is zijn partner alweer een stap verder. Als hij aan het eind van het boek, als het symbolische spel zijn hoogtepunt heeft bereikt, denkt de controle terug gekregen te hebben, kan hij niet anders dan daaraan twijfelen. Was zijn laatste daad wel de goede geweest, of had Esther hem nog altijd in zijn macht? Esther, zijn verleidelijke, vrijzinnige minnares – ze geeft voortdurend aan dat ze in het hier en nu leeft; daar is ze duidelijk in – ze speelt haar eigen spel, zonder zichzelf te verliezen, zoals het een milongita betaamt: “Altijd in de eigen as blijven… dat is voor de tangodanser zo ongeveer wat artikel 1 voor de grondwet is”. De fout die Han uiteindelijk maakt is dat hij zichzelf verliest, teveel op zijn pasjes blijft letten en het zicht op de gehele dans kwijt raakt.
Dramatisch? Nee, dramatisch is het boek allerminst. Meeslepend is het wel, vooral omdat Bijman in allerlei verwikkelingen wordt meegesleurd. Hij heeft geen tijd om te wennen aan zijn nieuwe leven, hoe zeer hij zich ook probeert aan te passen. Han Bijman is niet zielig, maar onwetend. Esther is geen bitch, maar losbandig. De tango is een manier van leven. Ieder om zijn eigen as.

DBC Pierre: Vernon God Little

Vannacht ben ik sinds lange tijd weer uit mijn slaap gehouden door een boek. Ik moest en zou het uitlezen. Dat overkomt me nog zelden, dat een boek me zo in z’n greep heeft dat ik het onmogelijk weg kan leggen. Pas als de laatste woorden op de laatste pagina tot me zijn doorgedrongen kan ik met een gerust hart gaan slapen. Dat was dus om zes uur vanmorgen.
Het schuldige boek is trouwens “Vernon God Little” van de in Ierland wonende Australiër DBC (‘dirty but clean’) Pierre. Hij debuteerde met dit boek en het leverde hem prompt de Man Booker Prize 2003 op. Is het boek dan zo goed? Nee. Ondanks dat het mijn nachtrust verstoorde kan ik niet zeggen dat het het meesterwerk van 2003 is, maar het heeft iets rauws, iets puurs. Ik vind het lastig om te benoemen.

Het verhaal van “Vernon God Little” speelt zich af in een gehucht in het midden van Texas: Martirio, bekend om z’n barbecuesaus. Wat eens een saai en voorspelbaar gat was, vol met die Amerikaanse burgerlijkheid en gezapigheid, bewoond door trailer-trash en namaak-rijken, is na een massaslachting op een school ineens verworden tot het middelpunt van alle aandacht. De dader, de Mexicaanse scholier Jesus, heeft na zijn gewelddadige actie zelfmoord gepleegd, dus de zaak lijkt afgesloten. Maar het dorp wil een dader veroordelen, wil bloed zien, dus beschuldigen ze de enige vriend van Jesus, de 15-jarige Vernon Little, van medeplichtigheid. De pers, in de vorm van de op geld beluste journalist Eulalio Ledesma, helpt een handje door de feiten te verdraaien, terwijl Vernon eigenlijk een waterdicht alibi heeft… alleen vindt hij het te gênant om het te vertellen. Wat volgt is een spiraal van ellende en misverstanden waar de puber maar lastig mee om kan gaan. De media zet alle zeilen bij om een real life versie van Big Brother in het leven te roepen, met Vernon als hoofdpersoon. Het duurt niet lang of de hele misère van Texas wordt in zijn schoenen geschoven.

De jonge Vernon is de verteller van het verhaal. Iemand die veel naar Amerikaanse talkshows kijkt kan zich wel indenken hoe een Amerikaanse jongen denkt en spreekt; vol met de nodige fucks, shits en asses. Zo is het ook geschreven. En vertaald. DBC Pierre heeft dit zo goed weten te brengen, dat je af en toe die jongen wat manieren bij wil brengen, of z’n mond wil spoelen met zeep. Als je je snel irriteert aan dit soort taalgebruik, dan moet je dit boek zeker niet lezen. Het is rauw en puur, ik schreef het al, en dat is de reden waarom het boek me zo in de ban hield. Er zijn betere boeken dan dit op de markt, maar origineel is het zeker.

Het boek is absoluut komisch. De gedachten van Vernon zijn vaak onnavolgbaar scherp en beeldend: “Ella is dun, met wat sproeten, en een groot hoofd met warrig blond haar, dat altijd alle kanten op staat, als bij een barbie waar je hond een maand op heeft liggen kauwen.” Zijn observaties leggen een luchtige waas over de zwarte verhaallijnen. De apathische houding van Vernon en zijn soms zieke gedachtes staan in schril contrast met de gedrevenheid van de journalisten en de op wraakbeluste bewoners. De moeder van Vernon overdekt alles met de mantel der onwetendheid. Ze is voornamelijk bezig haar gezicht te redden tegenover haar vriendinnen en ze weet haar zoon niet echt gerust te stellen met haar opmerking dat “moeders van hun kinderen houden, ook al zijn ze moordenaars.”

“Vernon God Little” is absoluut filmwaardig; je ziet het script al aan je voorbij vliegen. Dat heeft zo zijn nadelen, want als een filmwaardig boek een grote prijs ontvangt kan dit haast maar één ding betekenen: dat het goed afloopt. Maar of dit boek goed afloopt is afhankelijk vanuit welk perspectief je het bekijkt. Ik was in ieder geval lichtelijk verrast door het einde. Maar ja, het was dan ook al zes uur in de ochtend.

Tomas Ross: De Klokkenluider

Vandaag ben ik eindelijk toegekomen aan dat kleine boekje van Tomas Ross (ps. van W. P. Hogendoorn, 1944), “De klokkenluider”. Het werd tijdens de Maand van het Spannende Boek juni j.l. cadeau gedaan als je voor enige euri boeken aanschafte.
Geen onaardig cadeau. In ieder geval beter leesvoer dan dat vervloekte “Gala” van Ronald Giphart, dat ons tijdens de Boekenweek in de strot werd geduwd. Misschien komt het omdat een spannend boek volgens Nederlandse traditie altijd iets lichtvoetigs heeft en vaker vele malen toegankelijker is dan de zwaar calvinistische werken die door de dames en heren literatoren worden verspreid. Het publiek voor detectives en andere vergelijkbare plotboeken is groter dan dat van de literaire roman. Ik noem alleen al een Baantjer, Appel, Ferdinandusse, de Vlaming Dekoning of – in wat groter perspectief – Steven Bochco (de bedenker van Hill Street Blues, NYPD Blue en LA Law) en Stephen King. Vooral Appel en King laten zien dat een spannend boek niet per definitie simpel hoeft te zijn. Belangrijk is dat het de lezer tot de laatste pagina geboeid houdt.

Aan dat laatste ontbreekt het “De klokkenluider” een beetje. Het draait in het boek om het overlijden van de jonge, charismatische Wouter Burger (die wat wegheeft van Wouter Bos), de gedoodverfde kroonprins van de PvdA en voorzitter van een commissie die onderzoek doet naar het handelen van de BVD, de voormalige AIVD. Het onderzoeksgebied van de commissie kent vele aspecten, waaronder de handel en wandel van Edwin de Roy van Zuydewijn, de beveiliging van Pim Fortuyn (waarover Ross ook al schreef in “De zesde mei” ) en de aanslag op het huis van Kosto en het ministerie van Binnenlandse Zaken door de actiegroep RaRa.
Al gauw vermoeden Marion, de zwangere vrouw van Burger, en haar vriendin Chantal dat het geen ongeluk geweest is. Ze gaan getweeën op onderzoek uit en ontdekken het ene schokkende feit na het andere. Door hun onderzoek raken ze meer en meer verstrengeld in een net van intriges waarin hooggeplaatste functionarissen een dubieuze rol spelen.

De lezer hoeft niet tot het eind te wachten om te kunnen vermoeden wat er is gebeurd. Dat is een zwak punt van het dunne werkje. Toch lees je door, niet alleen om zekerheid te krijgen over al de vermoedens, maar ook omdat Ross de kunst verstaat om de werkelijkheid (Nederland anno 2003) te verweven met fictie. Hij plaatst het verhaal op een uiterst geloofwaardige manier binnen de meest recente geschiedenis en weet (fictieve?) linken te leggen tussen spraakmakende gebeurtenissen. Niet heel spannend, maar wel boeiend. Al met al een aardige cadeautje, al vermoed ik dat velen het na het lezen snel weer zullen vergeten.