Gedichten schrijven

Omdat het al zo’n lange tijd geleden is dat ik hier iets heb geschreven, zal ik beginnen met iets luchtigs en persoonlijks. Het gaat over de zaken die mij hebben aangezet om gedichten te schrijven. En niet zomaar gedichten, maar echte poëzie. Van het type Komrij, Kuijper, Kopland en noem al die K’s maar op.
Het is allemaal begonnen toen ik de boekenkast van mijn vader doorspitte op zoek naar iets leesbaars. Nu is mijn vader niet zo’n lezer. Het grootste literaire werk is zijn kast is waarschijnlijk “Fanny Hill” (weet u niet wat dat is, zoek het op!). Verder staat er een sloot aan detectives die voornamelijk door mijn moeder worden gelezen en vooral veel naslagwerken over sport, varen en wat (auto)biografieën van de meest uiteenlopende grootheden – van Stan Laurel tot Gorbatsjov.
Al speurende kwam ik een aantal boekjes van Toon Hermans tegen met romantische titels als “Liggen in het gras” en “Fluiten naar de overkant”. Het bleken versbundels hetgeen mij verbaasde omdat ik Toon alleen maar kende van de televisie als die slappe cabaretier met z’n uitgekauwde grappen en veel te zoete liedjes.
Toon schreef versjes. En ik, die amper een gedicht in mijn leven had gelezen, behalve in die knullige dingen in poesie-albums, werd aangenaam getroffen door de humor in zijn teksten. Ik herinner me deze nog goed:

Bijen zoemen rond hun woning
en werken aan een nijver plan.
Zij maken al die zoete honing
en wij maken er een potje van.

Wat Toon kon, kon ik ook, dus probeerde ik net als hij grappige versjes te schrijven hetgeen in eerste, tweede, derde, etcetera instantie hopeloos mislukte. Ik was jong, moet je maar denken. Een aantal van de eerste proeven heb ik bewaard, maar die zal ik jullie besparen. Vraag me er maar eens naar als ik dronken ben.
De omslag kwam toen ik uit de bibliotheek wat andere dichtbundels haalde en tot de ontdekking kwam dat er meer is dan rijmpjes alleen. Zo bleek dat een gedicht niet hoefde te rijmen. Dat was een openbaring voor me. En tegelijkertijd leerde ik tijdens de lessen Grieks en Latijn dat ritme en klank ook erg cruciaal waren en dat klopte: ook in de geleende boeken vond ik die elementen overduidelijk terug.
En met die bagage ging ik opnieuw aan de slag. Ik schreef, sleutelde, schrapte – noem al die s-en maar op – en publiceerde uiteindelijk in de schoolkrant het eerste korte gedicht waar ik tevreden over was:

Stilte

Stilte is een magische kracht
ze trekt aan je gevoelens
ze schept een stemming in je
en dromend in stilte
voelt ze aan als muziek

Vervang “stilte” door “poëzie” en je hebt de basis van mijn schrijversschap in een notendop.

Enfin. Inmiddels ben ik zo’n 15 jaar verder, maar nog altijd, bij elke verhaal dat ik schrijf, realiseer ik me waarom ik het doe. Het is dat gevoel, die muziek. Schrijven is componeren, spelen met woorden, zoeken naar ritme, cadans. Wat wil je schrijven? Waarom? Waarheen leid je het verhaal? Of beter: waar neemt het verhaal je mee naartoe?

Waarom ik gestopt ben met gedichten schrijven? Dat is iets voor een andere keer.

Eigen gedicht

Vandaag een gedicht. Van mezelf. Een mooi gedicht al zeg ik het zelf. Lees zelf maar. Het is echt mooi. Je begrijpt misschien niet waar het over gaat. En dat is ook mooi.
De hele ellende met een gedicht, of met alles eigenlijk, is dat er teveel mensen zijn die het willen begrijpen. Iets willen bevatten is een nare gewoonte en zou afgeleerd moeten worden. Het idee alleen al, dat je per se abstractie wil omzetten in concrete begrippen. Alsof je een raam aan duizend scherven smijt met een baksteen en vervolgens het raam probeert te herstellen in de oude staat. Nee sterker nog: je laat iemand anders het raam kapotgooien waarna jij het vervolgens moet repareren, omdat je zulke onzinnige dingen nu eenmaal graag doet. Zelfs al lukt het je alle stukjes op de goede plek te krijgen, je zult de lijmrandjes blijven zien.
Bla bla bla. Goed. Ik zal er niet teveel over doorzagen. Probeer dit maar eens te lijmen:

Cerro Ventisquero

De wind zaaide vorst op ons pad. De maan
kwam op en bracht hem fonkelend tot leven.

We staken een machtige rivier over. Het gevecht
tussen de rotsen en de tijd verstikte het ijzige groen.
De dageraad liet niet langer op zich wachten;
goud als vuur op heuvels vol tintelende sneeuw.

Brandend gedicht in ochtendgloren. Halfzinnen
vloeken, proberen het opnieuw in de ontwakende
stilte. De lava zoekt het lyrische overlijden.
Het gras richt zich op naar de zon en verbleekt.

Op deze oergrens telt slechts één gedachte:
we schrijven onze dood met inktvulkanen.

Toeschouw

Louis Th. Lehmann zit niet stil, zelfs niet na de publicatie van de verzamelbundel Gedichten 1939-1998 in 2000. Lehmann, geboren te Rotterdam in 1920, is prozaïst, vertaler, meester in de rechten, archeoloog, doctor in de letteren en elke vrijdag d.j. voor de VPRO op Radio 5. Maar bovenal is hij dichter en met zijn nieuwste bundel Toeschouw bewijst hij dat eens te meer.
Lehmann begint zijn dichtersloopbaan in 1939 wanneer hij een aantal verzen publiceert in Werk, het tijdschrift van ondermeer Ed. Hoornik en Johan Daisne. In datzelfde jaar verschijnt zijn werk reeds tweemaal in een bloemlezing: in Dichters van dezen tijd (13de druk) en in In aanbouw, een gebruik waar hij zich later uitgesproken tegen afzet, getuige zijn beroemde uitspraak ‘Gij zult niet bloemlezen’. Lehmann: “Bloemlezen, had ik indertijd het idee, was een manier om van dichters te profiteren zonder er veel voor te betalen, en in het geval van schoolbloemlezingen zelfs zonder er toestemming voor te vragen. Met mijn gebod hoopte ik een massa-beweging te ontketenen, maar ik had slechts één volgeling: Lucebert.” (de Volkskrant, 15-12-2000).
Vanaf 1940 tot aan 1966 verschijnen er twaalf bundels van Lehmann, waarna het een aantal jaren stil is rond de dichter. Hij publiceert her en der nog wel wat, maar het duurt tot 1996 voordat er weer een serieuze publicatie in de boekhandel ligt. Hierna publiceert Lehmann tot aan de dag van vandaag weer met een gezonde regelmaat.

Toeschouw is de 19de bundel van Lehmann. De gedichten onthullen de veelzijdigheid van de dichter, een eigenschap die als vanzelfsprekend voortvloeit uit de jarenlange ervaring en het sterk veranderende literaire klimaat sinds zijn debuut. Toch is Lehmann, voor wie goed leest en herleest, bijzonder consistent in zijn verzen, al lijken de gedichten qua vorm en inhoud mijlenver uiteen te lopen.
Wat opvalt is zijn vrolijke, soms haast ironische toon. Of, zoals P.G.J. Korteweg in 1941 schreef, “het zou van slecht-hoorendheid getuigen, wanneer men niet in vele van deze gedichten getroffen werd door een stem die weliswaar vaak kolder praat, maar niettemin een stem is, een dichterlijk geluid.”

Poëzie

Poëzie scheert langs alles
wat mensen aangaat
en raakt niets,

net als politiek,
maar zonder kwade bedoelingen.

Arie van den Berg, recensent van het NRC, noemt Lehmann naar aanleiding van Gedichten 1939-1998 een ‘chroniqueur van het Amsterdamse stads- en straatleven’ ( NRC, 12-01-2001) en ook in Toeschouw doet Lehmann deze naam eer aan. De bundel opent met de cyclus ‘Tijdelijk eindeloos’ (in de eerste druk staat abusievelijk ‘Tiijdelijk’) waarin Lehmann in zeven korte gedichten terugblikt op zijn jeugd, over de ‘rechthoekige bruine buurt’, over zijn leeservaringen met Couperus, de geluiden van de stad, de bomen in de straat en de dromen over verre steden aan de kust. Het is een prachtig hermetisch geheel dat bol staat van sentiment zonder dat Lehmann zichzelf door dat sentiment laat meesleuren.
Zijn huidige woonplaats Amsterdam speelt zeker een hoofdrol in Toeschouw, maar het is niet de enige stad die de dichter in zijn verzen aandoet. De stadsmens, zoals hij zich in ‘Stedeling op reis’ noemt, komt in exotische oorden als Florida en Buenos Aires, en de wat minder exotische plaatsen Maastricht, Rotterdam en Den Haag. De laatste brengt de lezer weer terug bij Couperus: Men liet iets dat Couperus heeft gekend; / straatwanden strak, met sierlijke moulure / aan menig raam, haast renaissance allure, / op kluwen binnenstad vloeiend geënt, / waar de straatnamen tempo doeloe rekten. (‘Den Haag’, fragment). Zijn terloopse fascinatie voor Couperus in Toeschouw bereikt zijn hoogtepunt in het haast surrealistische gedicht ‘Couperisch taalgebruik’.

Couperisch taalgebruik

Couperus lag graag in het bedde.
Maar ging hij ook vaak in het badde?
Dat weten wij niet, maar men wedde
gewis niet voor niets, als hem hadde
het noodlot gegeven een heden
waarin ‘business as usual’ deden
Romeinse baden nog alla,
bijvoorbeeld die van Caracalla,
dat hij daarheen zou zijn geraced
wellicht op een ezelebeest.

Een plezierige kenmerk van de bundel Toeschouw is de gedoseerde mate waarin Lehmann zich bedient van allerlei versvormen. Van stug rijm tot het korte, vrije vers; van een (toneel)dialoog tot het zuivere sonnet. En altijd met dezelfde diepzinnige lichtvoetigheid en vervreemdend perspectief. Het geeft de bundel een krachtige vitaliteit mee, alsof de dichter wil zeggen: ‘kijk eens wat ik allemaal kan!’

En ja, hij kan het ook allemaal.

L. Th. Lehmann – Toeschouw
Uitgeverij De Bezige Bij, 2003
54 blz.; EUR 15,00
ISBN 9023410114

De zang van de merel die zingt

Slechts twee bundels uitbrengen in ruim twintig jaar, daar kun je niet van leven. Dana Hokke (pseudoniem van D. Constandse) is dan ook geen broodschrijfster, maar een bescheiden dichteres met een karig repertoire. Haar verleden kenmerkt zich door een vastgeworteld wantrouwen “jegens de toereikendheid van de taal”, al is deze taal het enige medium waarmee ze haar gevoelens probeert te uiten. Haar gedichten zijn dan ook doorgaans kort, onderzoekend, maar vooral vragend.
Haar debuut was in 1981, toen bij uitgeverij De Arbeiderspers de bundel Gebroken wit verscheen, een verzameling teksten die geschreven zijn in de periode 1964-1976, “een periode die door de dichteres als een in diverse opzichten pijnlijk isolement werd ervaren”. Het was, terugkijkend, een verrassend debuut. Met een lichte toon wist deze nieuwkomer op een treffende wijze de natuur te combineren met emoties en gevoelens, met wetenschap en literatuur. Een mooi voorbeeld uit de bundel is het gedicht ‘Literatuurgeschiedenis’.

Literatuurgeschiedenis

Het lied losgemaakt van zijn melodie
werd een gedrukt intellectueel
vermaaksel
niet meer geademd van mond op oor
maar van de hand in het oog gehouden.

Straks wordt er alleen nog maar
afstand geschapen.

(uit ‘Gebroken wit’, p.19)

Deze toon weet zij behoorlijk goed vast te houden in de bundel en ook in de jaren er na als zij sporadisch iets publiceert in Hollands Maandblad, Maatstaf of een andere periodiek. Tot het uitgeven van een nieuwe bundel komt het echter niet. Waarschijnlijk wegens een gebrek aan bruikbaar materiaal of misschien zelfs vanwege desinteresse van de kant van de uitgever. Want als vervolgens in 2002 haar tweede bundel verschijnt, De zang van de merel die zingt, is dat niet bij De Arbeiderspers, maar bij De Beuk, de stichting voor literaire publicaties uit Amsterdam. Ontbreekt het haar nieuwe bundel dan aan kwaliteit? Wie het openingsgedicht leest zou denken van niet:

Vertrek

De kamer wordt wijd als een boek.

Licht van binnen komt licht tegemoet,
het raam waait naar buiten open,

gazen gordijnen, doorzichtig als wind
de woorden beweegt, ademen in en uit.

Tussen de regels heenkomen zoeken.

(uit ‘De zang van de merel die zingt’, p.5)

De stijl uit haar eerste bundel heeft zij in dit gedicht zichtbaar behouden. Al zijn we in de literatuurgeschiedenis twintig jaar verder, een dergelijke manier van schrijven is haast tijdloos; herkenbare beelden toegepast op een alledaagse metafoor. Niet te veel woorden, niet te weinig. Althans, wat dit gedicht betreft.
De gedichten die volgen op de overige 33 pagina’s zijn, op een enkele uitzondering na, helaas net zo oubollig als de titel van de bundel doet vermoeden. Veel van hetzelfde, een voortdurend pingpongspel met tegenstellingen (in bijna de helft van de gedichten wordt er halverwege een omwenteling ingeluid door “maar…”), erg voor de hand liggende beeldspraken (boomringen als levensjaren) en vooral de op den duur vervelende verwijzingen naar wind, water, licht en alle varianten hierop. Na een aantal van dergelijke natuurgedichten weet je het wel: wind blaast of is stil, licht schijnt of ontbreekt, water weerspiegelt of valt uit de hemel omlaag.

Ook het taalgebruik van Dana Hokke is sinds haar debuut sterk achteruitgegaan. De toegankelijkheid van haar eerste bundel is in sommige gedichten nog wel terug te vinden, maar regelmatig verliest zij zich in rijmelarijen. Het is geen mooischrijverij waarvan je beginnende dichters nog wel eens kunt beschuldigen, maar af en toe sluipt er een zinnetje het gedicht binnen, waardoor de hele tekst aan gevoel inboet: “Jij alleen bent er voortdurend niet” (uit ‘Weer’), “Dan keek hij daarin / wat er gaande was, wanneer ik vroeg / hoe het ging” (uit ‘In het voorbijgaan’), “Mij maakt samen bang.” (uit ‘Het diepe’).
Et cetera zou hier zeker niet misstaan.

De zang van de merel die zingt is een verzameling gedichten die, in vergelijking met Gebroken wit, erg tegenvalt. Hier en daar schemert nog iets van het gevoel uit de oude gedichten door, zoals in ‘Vertrek’ of het fraaie gedicht ‘Uiteindelijk’, maar over het algemeen zijn het niet meer dan een aantal routinematig opgeschreven niemendalletjes, waarmee geen enkele dichter broodschrijver zou kunnen worden. Laat staan kunnen aankloppen bij De Arbeiderspers.

Dana Hokke – Gebroken wit
Uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam 1981
32 blz., niet in reguliere boekhandel
ISBN 90-295-2040-X

Dana Hokke – De zang van de merel die zingt
De Beuk, 2002
ISBN 9069754215

Spectroscoop

De wereld waarin de poëtische geest van de jonge dichteres Jannah Loontjens (1974) zich heeft kunnen ontwikkelen zou je, als je hem vergelijkt met die van haar generatiegenoten, benijdenswaardig kunnen noemen. Ze werd geboren in Kopenhagen, groeide op in Zweden en in Nederland en verbleef enige tijd in New York. Ze studeerde filosofie van kunst en cultuur in Amsterdam (gespecialiseerd in Heidegger en Hölderlin) en draagt regelmatig poëzie voor op diverse podia. Kortom: een vrouw met gemêleerde ervaringen en vermoedelijk een breed referentiekader.
Bij uitgeverij De Beuk verscheen vorig jaar de debuutbundel van Jannah Loontjens: ‘Spectroscoop’. Hoe angstvallig ik het ook probeerde, ik kon niet nalaten bovengenoemde biografische gegevens mee te nemen tijdens het lezen van de gedichten. Ik weet het: een boek of een bundel zou eigenlijk niet op de literair-historische of sociologische achtergrond van de auteur beoordeeld mogen worden, maar veeleer op basis van de kwaliteit van het geschrevene. Wijze woorden en een lovenswaardig principe, desalniettemin in het geval van Loontjens een weinig haalbare zaak. Misschien juist door haar opmerkelijke geschiedenis probeer je tijdens het lezen daar iets van te proeven, probeer je te achterhalen wat zij van zichzelf aan haar tekst heeft meegegeven en soms, heel af en toe, licht ze een tipje van de sluier:

[…]
beroemde namen van mensen
verdwalen in haar ogen
tussen steden, triomfbogen
gebruiksaanwijzingen
van vergeten automaten
[…]

(uit: Toeval, p.43)

En daar blijft het zo’n beetje bij. Geen globetrotterfantasieën, geen eindeloze wandelingen in de bossen van de wereld, geen gepeins over de verschillen in cultuur. Nee, ‘Spectroscoop’ is niet de autobiografische afspiegeling die iemand zou kunnen verwachten. Het is een verzameling gedichten met één terugkerend element: taal.
Geen opmerkelijke conclusie als je bedenkt dat het onderzoek van Loontjens gaat over de betekenissen die door taal gevisualiseerd worden (“Vision in Language and Language in Vision: The Visibility of Meaning”). Zelf zegt ze over de bundel naar aanleiding van de titel ‘Spectroscoop’: “Een kleur beweegt zich altijd tussen andere kleuren, is altijd onderweg, net als betekenissen die uit hun relaties met andere betekenissen worden opgebouwd. Met een spectroscoop worden aan de hand van kleurmetingen betekenissen vastgelegd, in gedichten gebeurt bijna het omgekeerde: lagen van betekenissen worden in taal gevisualiseerd.”

Loontjens beschouwt metaforen of verbale beelden als de hoekstenen van de taal: “De dingen zijn nooit enkelvoudig, maar zijn altijd opgenomen in spectra. Voor mij ontstaat elk gedicht op een raakpunt van verschillende spectra, dat de dingen met elkaar verbindt.” Een gedicht als ‘Eenzaam’, dat vol metaforen zit, is een voorbeeld van hoe zij de lezer voortdurend forceert te visualiseren.

Eenzaam

langsglijdende autolichten
buigen zich over meubels,
maken ze statisch
zoals alleen onverschilligheid
dat kan

regen laat de ruiten golven
mijn blik rust op een plant
enkele gedachten
die zich in warme adem uiten
bewaar ik
in de palm van mijn hand

‘Eenzaam’ is zeker niet het sterkste gedicht uit ‘Spectroscoop’, maar wel kenmerkend voor de manier waarop Loontjens speelt met beelden en beeldspraak. En niet te vergeten: taal. In nagenoeg ieder gedicht proef je de taal en het moet gezegd worden: haar visie op taal is heel verfrissend. Niet alleen analyseert ze met haar gedichten de werking van de taal, ze laat de taal ook optreden als aanstichter, als troost, als geweten. De taal uit zich in overpeinzingen, openbaart zich in straatnamen en reclameteksten, maar ook in stiltes en af en toe in een eeuwigdurend zwijgen – de taal als initiator van gedachten.

[…]
zo heb ik in mijn slaap
het woord ‘ik’ geleerd
in de droom
waarin onze namen zijn
omgekeerd
[…]

(uit: Radiusthesie, p.27)

Maar het meest van alles toont Loontjens haar spel met de verbeelding, en van haar vakmanschap daarin overtuigt zij over de gehele breedte van de bundel. Loontjens is een mysterieuze vertelster, een betrokken analist, een dromerige wandelaar en niet in de laatste plaats een overtuigend filosofe. Zelden een filosoof gelezen, die ik zo gemakkelijk kon begrijpen.

Jannah Loontjens – Spectroscoop
De Beuk, 2001
ISBN 9069754037

Lopend licht

Vier jaar geleden verscheen de bundel “Vaderlatingen” van Mark van Tongele. Een vrij ongewone bundel, waarin de Vlaamse dichter spelenderwijs experimenteerde met traditionele metaforiek en moderne elementen. Eigentijdse en historische motieven werden verweven tot een vernieuwende verzameling gedichten, die desalniettemin veel raakvlakken vertoont met de poésie pure van Baudelaire.
De achterflap van “Lopend licht” – de nieuwste bundel van Mark Van Tongele – doet vermoeden dat zijn ‘toekomstgerichte’ manier van schrijven een vervolg heeft gekregen, maar een ieder die enigszins bekend is met zijn werk, merkt bij lezen al snel dat zijn poëzie anno 2001 zwaarder is, bedrukter, dan de ‘digitale poëzie’ van enkele jaren terug.

“Lopend licht” gaat net als “Vaderlatingen” over de dood. Of liever: over een bijna-doodervaring, want het is niet het sterven, maar het ontsnappen aan de dood dat een essentiële betekenis heeft in de bundel. In zijn openingscyclus “Eenzaam enzovoort” schrijft Van Tongele in het gedicht “Plasmapolka” dan ook uitdrukkelijk “de dood is van mij / alleen / van mij” om – zo lijkt het althans – aan te geven dat de dichter de dood onder controle heeft. Ook andere gedichten (met titels als “Zodra ik dood ben beleef me nog eenmaal” en “Ideeën over doodgaan”) verwijzen steeds naar het tarten van de dood, het overwinning ervan, naar het weerstaan van de tand des tijds. Eén van zijn laatste gedichten is hier een prima voorbeeld van:

IN DE MATE VAN BRUSSEL

Straat in straat uit. rara in de trillingen
van het toeterende toeval. blijgezwind
stoep op stoep af. zon in zon uit. in de wind
van door elkaar roezemoezende geuren
en kleuren. een licht deuntje neuriënd
lap ik chaos en co onder mijn schoen.
krioelende pleisterpleinen maak plaats,
o rinkelende winkels met jullie voiles,
aktetassen met spoilers, kakmadams,
bedelhanden ruim baan. kijk hoe edel
ik de gang van de dood kan weerstaan.

Bovenstaand gedicht laat zien dat Van Tongele zijn ‘poésie pure’-fase nog niet achter zich heeft gelaten. Zijn gedichten hebben iets weg van een luide dreun, wat het vermoeden bevestigt dat Van Tongele zijn werk nauw gerelateerd ziet aan housemuziek in navolging van Undergroundpoëten als Serge van Duijnhoven, zo nauw zelfs dat hij zijn werk waarschijnlijk beschouwt als een verzameling klanken. De gedichten lijken immers af en toe uitsluitend hun effect te danken aan de klank en het ritme. In deze digitale tijd is deze vorm van poëzie aan belangstelling groeiende en het past dan ook goed in de stromingen die veel aandacht besteden aan het experimentele:

DANS MET MIJ

Kijk me aan lijf me in
houd me in bedwang
kleur mijn lenzen zwart
schop me vernietig me
raak mijn kouwe kleren
ruk het pantser van
mijn lijf wees niet bang
voor mijn huid ruik mijn
zweet verlang naar me
kus me zonder lippen
geil lik mijn metalen
tong schoon haal de sleur
uit mijn gewrichten doe
mijn bloed sopraan vloeien
breng mij teweeg maak van
mij een god laat me glanzen

Maar helaas: niet zelden gaat de dreun verloren doordat de dichter zich te gedreven vastbijt in het thema van de ontsnapping aan de dood. De vernieuwing en de verrassende metaforen uit “Vaderlatingen” zijn op zo’n moment vervangen door een gekunstelde dramatiek, geforceerde beelden en een ogenschijnlijk amateuristische toon. Het slotgedicht bijvoorbeeld, kenmerkt zich door een strak rijmschema, dat een Sinterklaassurprise niet zou ontsieren, maar een dichtbundel verre van waardig is: “[…] een engel in galop / illusie na illusie verderop / de schijn zit in mijn brein / chagrijn is een woestijn […]”.
Er zit mooi werk tussen; werk dat thuishoort in een bloemlezing over de dood of over het leven. De bundel “Lopend licht” zal dan ook, voor wie Mark van Tongele niet kent, een aangename verzameling verzen zijn. Wie hem wel kent zal zijn schouders ophalen en beseffen dat Van Tongele in vier jaar geen steek verder is gekomen, sterker nog: zelfs een stapje achteruit is gegaan. “Lopend licht” staat vol met gekunstelde rijmelarijen en mist soms elk gevoel van sfeer of zoals hij zelf schrijft: “een weergaloos koor galmt een potpourri / van volksdeuntjes […]”.

Wie Van Tongele wel kent zal met weemoed terugdenken aan de poésie pure van Van Ostaijen, Mallarmé en Valéry. Dat ritme, die cadans…

Mark van Tongele – Lopend licht
Lannoo, 2001
ISBN 9020945890

Vanuit de lucht – de eerste generatie dichters van de eenentwintigste eeuw

Toen Albert Verwey in 1905 zijn “Inleiding tot de nieuwe Nederlandse dichtkunst (1880-1900)” publiceerde, had hij geenszins de intentie om een correcte of volledige afspiegeling te geven van de jongste generatie dichters: “de volledigheid van dit schrijven berust in de behoefte van den schrijver, die er zich in trachtte uit te spreken, en de grenzen ervan zijn die van zijn al of niet vrijwillig gekozen gezichtsveld.” Deze zelfde gedachte lijkt ten grondslag te liggen aan de bloemlezing “Vanuit de lucht”, samengesteld door de onbescheiden dichter Daniël Dee.

Een schets geven van de jongste generatie in de vorm van een bundel gedichten is op z’n zachtst gezegd een prestigieuze onderneming. En bijna ondoenlijk. In “Vanuit de lucht” heeft Daniël Dee, geheel vrij van programma of manifest, 28 jonge schrijvers in alfabetische volgorde naast elkaar gezet. Volgens Dee zijn het de spraakmakendste dichters geboren na 1970 met als resultaat een 92 pagina’s tellende stortvloed van woorden.
Wat kun je verwachten van een bloemlezing vol dichters zonder aantoonbare samenhang of thema? In ieder geval dat het aangeboden werk divers zal zijn en dat het een indruk hoopt te geven van waar het in de Nederlandse poëzie naar toe gaat de komende jaren. Samensteller Daniël Dee geeft aan dat poëzie onder de jonge generatie leeft, maar is het wel allemaal goud dat blinkt? En in hoeverre zijn deze jongeren een vernieuwing voor het literaire klimaat? Een bloemlezing als “Vanuit de lucht” zou antwoord moeten geven op deze en vele andere vragen; pas over enkele jaren zal uitkomen of deze uitgave van “Vanuit de lucht” noodzakelijk was of dat het niet meer dan een opstapje voor beginnende dichters blijkt te zijn.

Een eerste lezing van de bundel laat zien dat het werk inderdaad divers is. De korte, expressieve gedichten van Peter de Groot bijvoorbeeld staan lijnrecht tegenover het haast prozaïsche werk van Tsead Bruinja. Hiertussen zweven allerlei mengvormen, thema’s en gedachtes, de een vol humor, de ander weer bedroefd. Zoals verwacht veel liefde en verdriet.
Wat opvalt is dat veel gedichten naar voren springen door één enkele zin of alinea. Het lijkt alsof het gehele gedicht zich rond deze zin heeft gevormd met het gevolg dat niet het gedicht, maar slechts de aardige vondst bijdraagt aan de waardering van de schrijver. De pakkende openingsregels van het gedicht “Mijn trui” van Frederik Lucien De Laere luiden: “In mijn trui ben ik te lui / om een fatsoenlijk mens te zijn.” waarna het gedicht dat volgt zichzelf enigszins verliest in mooischrijverij. De zin “Zo had dit moment / mij mijn manifest gegeven”, de slotzin uit het gedicht “Manifest” van Jannah Loontjens, is de krachtige kern van het hele gedicht maar tevens doet het al het bovenstaande op slag vergeten.
Zo zijn er meer voorbeelden te vinden, maar het zou de bloemlezing geen recht doen als we haar daarop afrekenen. Er staan immers prachtige gedichten in de bundel, zoals deze van Yorgos Dalman:

Purper

Het purper waaruit dromen ontstaan,
en het purper van Bic balpenneninkt
waarmee je heel speciaal
ongenaakbaar kunt schrijven
of ik
of Blitzträumen.

De schaduw van een treurwilg die valt
over het water van een kleine ven,
het water waarin een libel
levenloos op haar ruggetje drijft.
De schaduw op dat water. De vleugeltjes.
De gebroken schittering.

Dat purper.

De keuzes die Daniël Dee bij het samenstellen van “Vanuit de lucht” heeft gemaakt zijn uiteraard discutabel. Mijns inziens heeft hij heel veel talent links laten liggen (Eric Spil, Pieter Pijlman, Daniëlle Biemans) en een aantal onterecht opgenomen, maar dat neemt niet weg dan “Vanuit de lucht” een boeiende inzage geeft in de opvattingen over poëzie onder de jongeren van nu.
Het gekozen werk suggereert dat er anno 2001 niets nieuws onder de zon is – veel grijpt terug op voorgangers uit de jaren zestig en zeventig – maar die conclusie is misschien nog wat te voorbarig. De schrijvers zijn immers nog jong en slechts enkelen van hen, waaronder Ramsey Nasr en Alfred Schaffer, hebben hun sporen al enigszins verdiend in de grote-mensen-wereld der literatoren. Er valt voor de jongeren dus nog genoeg te leren, want voor wat de onbekende dichters betreft was het voor mij een eerste, maar meestal aangename, kennismaking. Al met al kan ik zeggen dat de Nederlandse poëzie de komende jaren niets te vrezen heeft.

Daniël Dee (sam.) – Vanuit de lucht – de eerste generatie dichters van de eenentwintigste eeuw
Passage, 2001
ISBN 9054520876