Krantenstukjes

En voor je het weet is het alweer dinsdag.
Er is in de tussentijd veel gelezen en geschreven, maar een verhaal – laat staan een roman – heb ik nog niet kunnen produceren. Zelfs het gebod dat ik mijzelf heb opgelegd om iedere dag te schrijven in mijn dagboek, wordt voortdurend met voeten getreden. Zondag is geschiedenis, maandag is spoorloos. Het is alweer dinsdag; de tijd vliegt.
Ik bewonder de schrijvers die het elke dag presteren om iets te schrijven. Iemand als Harry Mulisch, die het schrijven heel serieus als zijn werk ziet en dus ook trouw een aantal uur per dag achter zijn bureau kruipt om aan zijn zelfopgelegde verplichting te voldoen. Of zo’n Jan Mulder of Martin Bril die nagenoeg iedere dag ergens een stukje gepubliceerd krijgen. Dat beperkt zich niet tot een dagblad. Nee, de stukjes van de heren verschijnen in weekbladen, maandbladen, glossy’s, clubblaadjes, vlugschriften en in paperback. Respect hoor. Petje af voor die ouwehoeren.
Sinds Simon Carmiggelt op 2 mei 1977 de hoogste literaire onderscheiding van Nederland kreeg (de P.C. Hooftprijs) is het krantenstukje in aanzien gestegen en wordt het nu gezien als een literair medium. Literatuur in een krant was geen nieuws, zeker niet in de tijd en de jaren ervoor. De krant werd minder en minder een elite-uitgave en het steeds groeiende lezerspubliek had behoefte aan verstrooiing tussen al die nieuwsfeitjes door. Dit fenomeen werd algemeen gebruikelijk in de tweede helft van de 19e eeuw, toen het feuilleton zijn intrede deed bij de krant. Deze mode was overgewaaid uit Frankrijk, zoals in die tijd veel mode uit Frankrijk kwam waaien. Waar zouden we immers literair hebben gestaan zonder Sue, Verlaine, Baudelaire, Rimbaud, Mallarmé en Moréas? Vooral Verlaine heeft dankzij de inspanningen van Willem Kloos, die de Fransman lof toezong in het tijdschrift “De Nieuwe Gids” (en tegelijkertijd Mallarmé opzij schoof), in de negentiende veel bekendheid gekregen. De beeldende kunstenaars Philippe Zilcken en Jan Toorop waren de eersten die Verlaine uitnodigden naar Nederland. De rest is geschiedenis: het literair impressionisme (door Van Deyssel ‘Sensitivisme’ genoemd) bereikte zijn hoogtepunt.

Ik dwaal af. Ik had het over krantenstukjes.
Charles Dickens, dat was nog eens een krantenstukjesschrijver. Die vent schreef hele boeken vol met zijn wekelijkse of maandelijkse verhaaltjes in de krant. De bekende roman “Oliver Twist” heeft hij geschreven als feuilleton tussen 1837 en 1839, iedere week een stukje in de krant en aan het eind van ieder stukje zijn befaamde ‘cliff hanger’, waardoor de lezer reikhalzend uitzag naar de volgende aflevering.
Nederland kende ook een soort Dickens: P.A. Daum. Deze krantenuitgever in Nederlands-Indië schreef in de jaren ’80 van de 19e eeuw elke week in zijn eigen krant “Het Indisch Vaderland” een stukje onder het pseudoniem Maurits. Hieruit ontstonden romans als “Uit de suiker in de tabak” (1884) en “Goena-goena” (1889), die tot op de dag van vandaag zeker de moeite van het lezen waard zijn.
En wie kent niet de roman “Eline Vere” van Louis Couperus? Dit boek verscheen oorspronkelijk als dagelijks feuilleton in “Het Vaderland”. Of Louis Paul Boon die zijn columns gebruikte als de basis voor “De kapellekensbaan”. Herman Heijermans die internationale faam verwierf met zijn “Falklandjes”. Cary van Bruggen die het “Algemeen handelsblad” volschreef met haar ‘Van het platteland’.

Wij zijn inmiddels aanbeland bij de beginjaren van de 20e eeuw. Carmiggelt is in die jaren nog niet begonnen, maar met zulke voorgangers hoefde geen enkele schrijver zich meer te schamen voor de krant; de weg werd voor Carmiggelt geplaveid. Literair vond men het echter nog niet. Wat speciaal voor de krant werd geschreven beschouwden de meeste schrijvers als bijzaak, zelfs al verscheen het later in boekvorm. Couperus herschreef “Eline Vere” omdat de echte literatuur school in de geconstrueerde roman, het toneelstuk, gedicht, essay. In die enigszins bekrompen journalistieke wereld deed in 1936 de jonge Simon Carmiggelt zijn intrede. Hij nam het dagelijkse cursiefje over van zijn hoofdredacteur en doopte het ‘Kronkels’. Carmiggelt was echter geen Dickens, Daum of Couperus. “Een gefrustreerde romannensmid heb ik mij nooit gevoeld. De korte vorm is de mijne”, schreef hij in de inleiding van de bloemlezing “Een stoet van dwergen” (1961). Zijn stukjes waren superkorte, zelfstandige verhaaltjes vol humor en dramatiek. En, in tegenstelling tot de huidige columnisten, ver verwijderd van de actualiteit. De ‘Kronkels’ werden een ongekend succes en de rest is wederom geschiedenis: Carmiggelt werd een legende; zijn concurrenten waren (en zijn) goed, maar van Kronkels hebben ze geen kaas gegeten. Kees van Kooten, Remco Campert, Jan Blokker – die ooit begon á la Carmiggelt – en natuurlijk Renate Rubinstein (‘Tamar’) benader(d)en de meester nog het meest. Daarmee is alles ook gezegd, want om Carmiggelt te overtreffen moet je perfectionistisch zijn, moet je alleen voor je krantenstukje leven. Schrijven moet je, met de volledige overgave die een schrijver zichzelf behoort te verplichten. Schrijven, schrijven, schrijven, iedere dag weer.

Lopend licht

Vier jaar geleden verscheen de bundel “Vaderlatingen” van Mark van Tongele. Een vrij ongewone bundel, waarin de Vlaamse dichter spelenderwijs experimenteerde met traditionele metaforiek en moderne elementen. Eigentijdse en historische motieven werden verweven tot een vernieuwende verzameling gedichten, die desalniettemin veel raakvlakken vertoont met de poésie pure van Baudelaire.
De achterflap van “Lopend licht” – de nieuwste bundel van Mark Van Tongele – doet vermoeden dat zijn ‘toekomstgerichte’ manier van schrijven een vervolg heeft gekregen, maar een ieder die enigszins bekend is met zijn werk, merkt bij lezen al snel dat zijn poëzie anno 2001 zwaarder is, bedrukter, dan de ‘digitale poëzie’ van enkele jaren terug.

“Lopend licht” gaat net als “Vaderlatingen” over de dood. Of liever: over een bijna-doodervaring, want het is niet het sterven, maar het ontsnappen aan de dood dat een essentiële betekenis heeft in de bundel. In zijn openingscyclus “Eenzaam enzovoort” schrijft Van Tongele in het gedicht “Plasmapolka” dan ook uitdrukkelijk “de dood is van mij / alleen / van mij” om – zo lijkt het althans – aan te geven dat de dichter de dood onder controle heeft. Ook andere gedichten (met titels als “Zodra ik dood ben beleef me nog eenmaal” en “Ideeën over doodgaan”) verwijzen steeds naar het tarten van de dood, het overwinning ervan, naar het weerstaan van de tand des tijds. Eén van zijn laatste gedichten is hier een prima voorbeeld van:

IN DE MATE VAN BRUSSEL

Straat in straat uit. rara in de trillingen
van het toeterende toeval. blijgezwind
stoep op stoep af. zon in zon uit. in de wind
van door elkaar roezemoezende geuren
en kleuren. een licht deuntje neuriënd
lap ik chaos en co onder mijn schoen.
krioelende pleisterpleinen maak plaats,
o rinkelende winkels met jullie voiles,
aktetassen met spoilers, kakmadams,
bedelhanden ruim baan. kijk hoe edel
ik de gang van de dood kan weerstaan.

Bovenstaand gedicht laat zien dat Van Tongele zijn ‘poésie pure’-fase nog niet achter zich heeft gelaten. Zijn gedichten hebben iets weg van een luide dreun, wat het vermoeden bevestigt dat Van Tongele zijn werk nauw gerelateerd ziet aan housemuziek in navolging van Undergroundpoëten als Serge van Duijnhoven, zo nauw zelfs dat hij zijn werk waarschijnlijk beschouwt als een verzameling klanken. De gedichten lijken immers af en toe uitsluitend hun effect te danken aan de klank en het ritme. In deze digitale tijd is deze vorm van poëzie aan belangstelling groeiende en het past dan ook goed in de stromingen die veel aandacht besteden aan het experimentele:

DANS MET MIJ

Kijk me aan lijf me in
houd me in bedwang
kleur mijn lenzen zwart
schop me vernietig me
raak mijn kouwe kleren
ruk het pantser van
mijn lijf wees niet bang
voor mijn huid ruik mijn
zweet verlang naar me
kus me zonder lippen
geil lik mijn metalen
tong schoon haal de sleur
uit mijn gewrichten doe
mijn bloed sopraan vloeien
breng mij teweeg maak van
mij een god laat me glanzen

Maar helaas: niet zelden gaat de dreun verloren doordat de dichter zich te gedreven vastbijt in het thema van de ontsnapping aan de dood. De vernieuwing en de verrassende metaforen uit “Vaderlatingen” zijn op zo’n moment vervangen door een gekunstelde dramatiek, geforceerde beelden en een ogenschijnlijk amateuristische toon. Het slotgedicht bijvoorbeeld, kenmerkt zich door een strak rijmschema, dat een Sinterklaassurprise niet zou ontsieren, maar een dichtbundel verre van waardig is: “[…] een engel in galop / illusie na illusie verderop / de schijn zit in mijn brein / chagrijn is een woestijn […]”.
Er zit mooi werk tussen; werk dat thuishoort in een bloemlezing over de dood of over het leven. De bundel “Lopend licht” zal dan ook, voor wie Mark van Tongele niet kent, een aangename verzameling verzen zijn. Wie hem wel kent zal zijn schouders ophalen en beseffen dat Van Tongele in vier jaar geen steek verder is gekomen, sterker nog: zelfs een stapje achteruit is gegaan. “Lopend licht” staat vol met gekunstelde rijmelarijen en mist soms elk gevoel van sfeer of zoals hij zelf schrijft: “een weergaloos koor galmt een potpourri / van volksdeuntjes […]”.

Wie Van Tongele wel kent zal met weemoed terugdenken aan de poésie pure van Van Ostaijen, Mallarmé en Valéry. Dat ritme, die cadans…

Mark van Tongele – Lopend licht
Lannoo, 2001
ISBN 9020945890