Jonge honden

In de eerste maand van mijn studie aan de universiteit hadden we al een groepje gevormd dat de faculteit wel even op z’n kop zou zetten. Op dat moment was er geen studievereniging, geen georganiseerde uitstapjes en geen opleidingsblad. Daar zouden we wel even verandering in brengen vonden we, want dat leken ons toch essentiële zaken voor een opleiding. Vooral een blad – wat was een opleiding Nederlandse taal- en letterkunde nu zonder blad?
De vereniging kwam er, maar ging binnen twee jaar ter ziele, maar niet nadat we een gigantisch feest hadden georganiseerd. Toen was het geld op.
Ook de georganiseerde uitstapjes kwamen er. We deden het zelfs zo goed dat we de introductieweekendjes voor de nieuwe eerstejaars mochten organiseren. Verder bedachten en organiseerden we een jaarlijkse Couperus-wandeling door Den Haag, een ‘raad-de-schrijver’-roeiwedstrijd in Noorden en natuurlijk de wekelijkse borrel in café In de Wildeman. Alleen de Couperus-wandeling heeft het in de door ons bedachte vorm overleeft. De borrel is geloof ik tegenwoordig één keer in de maand. Op de universiteit.

En het blad? Dat is een heel ander verhaal. In het jaar dat ik begon was er een faculteitsblad genaamd “Psocoptera”; een blad voor alle studenten van de faculteit Letteren. Het was aan haar achtste jaargang toe, maar het verscheen met de onregelmatigheid van een intercity. De redactie bestond alleen uit Neerlandici, dus erg ‘facultair’ was het niet. Kortom: tijd voor iets nieuws. Samen met Tom Kenter (waar zijt gij?) richtte ik “De Wakkere” op. Het eerste nummer was nog alleen voor ‘ons groepje’ en bestond uit een tiental gekopieerde pagina’s met onzinnige verhaaltjes, gedichten en tekeningen. Het tweede nummer, dat een maand later verscheen, was al wat dikker en pretentieuzer: deze was bestemd voor alle studenten Nederlands en was met veel geduld vormgegeven. Wonder boven wonder werd het lovend besproken in Psocoptera. Een wrange speling van het lot wil dat dit tevens het laatste nummer van Psocoptera was: de redactie had het bijltje er bij neergegooid. Lang leve De Wakkere!
In de vierde jaargang werd De Wakkere omgedoopt tot ‘Moxi’ (naar het Surinaamse moksi – mengelmoes). We hadden veel lezers en veel kopij. Zelfs bekende schrijvers schreven op verzoek een verhaal, gedicht of essay. En niet de minste: Ronald Giphart, Anna Enquist, Adriaan Morriën, Herman Pieter de Boer, Stephan Sanders en ga zo nog maar even door. Het blad was een succes, ondanks dat het slechts bestond uit een stuk of dertig gekopieerde A4-tjes.
Zelf ben ik vijf jaar hoofdredacteur geweest van het maandblad en ik heb er zo’n zeven jaar voor geschreven, de laatste twee als columnist. En weet je? Het blad bestaat nog steeds! Van de redactieleden ken ik niemand meer persoonlijk, maar de formule is ongewijzigd. Alleen de opmaak, die is dankzij de verbeterde technieken aanzienlijk verbeterd. “Jaargang 10, nummer 9” prijkt op het laatste nummer. Je moest eens weten hoe goed dat voelt. Het blijft toch m’n kindje, al ben ik er al zolang niet meer bij betrokken. Ik ga misschien nog maar eens een stukje voor ze schrijven. Sentiment kent ook zijn momenten.

Nu ga ik even verder in het boek van een oud-redacteur van Psocoptera; “Zelf God worden” van Hans den Hartog Jager. Zijn blaadje mag het dan niet gehaald hebben, het NRC Handelsblad is maar wat blij met hem.

Eind der Tijden

Oorlogen, aardbevingen, bosbranden, overstromingen, hongersnood, sars, aids, vogelpest; sceptici zullen zeggen dat de wereld zoals wij die kennen haar einde nadert. Vooral de christenen onder hen, met de bijbel opengeslagen op Mattheüs of de Openbaringen, zullen wijzen op het einde der tijden, de Dag des Oordeels, het Laatste Gericht. Het zijn echter niet alleen de overtuigde doemdenkers die zich bezig houden met de goddelijke vernietiging van de aarde; dit jaar verschijnen er opvallend veel uitgaven met in de titel het woord ‘laatste’ als verwijzing naar de ondergang van de of een cultuur, volk of de wereld in het algemeen. Een aantal weken geleden schreef ik al over de roman “De laatste stad” van Colin Thubron, waarin een groep reizigers op zoek gaat naar de laatste nederzetting van de Inca’s. Korte tijd later verscheen de roman “De laatste dagen” van Trouwjournalist Arjan Visser. Hierin speelt het bijbelse einde der tijden een bijzonder grote rol. Zelfs Studio Vandersteen liet zien dat het de voorspellingen in de Openbaringen bijzonder serieus neemt: het meeste recente Suske en Wiske album is getiteld “De laatste vloek” en verhaalt over de komst van de vier Jurons – stripversies van de vier apocalyptische ruiters – die de wereld zullen splijten met hun spuug als vitriool (geconcentreerd zwavelzuur).
Ik maak me geen zorgen dat de wereld van vandaag op morgen zal vergaan. Toch is het behoorlijk deprimerend om er over te lezen. Verderf, verval, zonde gestapeld op zonde, verdoemenis, hel, boete, schuld. Dat vroeg om compensatie en die heb ik gevonden in de “27 Liefdesliedjes” van Judith Herzberg uit 1971. Als ik die liedjes zo lees, dan valt het allemaal best mee met die wereld.

Eigen gedicht

Vandaag een gedicht. Van mezelf. Een mooi gedicht al zeg ik het zelf. Lees zelf maar. Het is echt mooi. Je begrijpt misschien niet waar het over gaat. En dat is ook mooi.
De hele ellende met een gedicht, of met alles eigenlijk, is dat er teveel mensen zijn die het willen begrijpen. Iets willen bevatten is een nare gewoonte en zou afgeleerd moeten worden. Het idee alleen al, dat je per se abstractie wil omzetten in concrete begrippen. Alsof je een raam aan duizend scherven smijt met een baksteen en vervolgens het raam probeert te herstellen in de oude staat. Nee sterker nog: je laat iemand anders het raam kapotgooien waarna jij het vervolgens moet repareren, omdat je zulke onzinnige dingen nu eenmaal graag doet. Zelfs al lukt het je alle stukjes op de goede plek te krijgen, je zult de lijmrandjes blijven zien.
Bla bla bla. Goed. Ik zal er niet teveel over doorzagen. Probeer dit maar eens te lijmen:

Cerro Ventisquero

De wind zaaide vorst op ons pad. De maan
kwam op en bracht hem fonkelend tot leven.

We staken een machtige rivier over. Het gevecht
tussen de rotsen en de tijd verstikte het ijzige groen.
De dageraad liet niet langer op zich wachten;
goud als vuur op heuvels vol tintelende sneeuw.

Brandend gedicht in ochtendgloren. Halfzinnen
vloeken, proberen het opnieuw in de ontwakende
stilte. De lava zoekt het lyrische overlijden.
Het gras richt zich op naar de zon en verbleekt.

Op deze oergrens telt slechts één gedachte:
we schrijven onze dood met inktvulkanen.

Krantenstukjes

En voor je het weet is het alweer dinsdag.
Er is in de tussentijd veel gelezen en geschreven, maar een verhaal – laat staan een roman – heb ik nog niet kunnen produceren. Zelfs het gebod dat ik mijzelf heb opgelegd om iedere dag te schrijven in mijn dagboek, wordt voortdurend met voeten getreden. Zondag is geschiedenis, maandag is spoorloos. Het is alweer dinsdag; de tijd vliegt.
Ik bewonder de schrijvers die het elke dag presteren om iets te schrijven. Iemand als Harry Mulisch, die het schrijven heel serieus als zijn werk ziet en dus ook trouw een aantal uur per dag achter zijn bureau kruipt om aan zijn zelfopgelegde verplichting te voldoen. Of zo’n Jan Mulder of Martin Bril die nagenoeg iedere dag ergens een stukje gepubliceerd krijgen. Dat beperkt zich niet tot een dagblad. Nee, de stukjes van de heren verschijnen in weekbladen, maandbladen, glossy’s, clubblaadjes, vlugschriften en in paperback. Respect hoor. Petje af voor die ouwehoeren.
Sinds Simon Carmiggelt op 2 mei 1977 de hoogste literaire onderscheiding van Nederland kreeg (de P.C. Hooftprijs) is het krantenstukje in aanzien gestegen en wordt het nu gezien als een literair medium. Literatuur in een krant was geen nieuws, zeker niet in de tijd en de jaren ervoor. De krant werd minder en minder een elite-uitgave en het steeds groeiende lezerspubliek had behoefte aan verstrooiing tussen al die nieuwsfeitjes door. Dit fenomeen werd algemeen gebruikelijk in de tweede helft van de 19e eeuw, toen het feuilleton zijn intrede deed bij de krant. Deze mode was overgewaaid uit Frankrijk, zoals in die tijd veel mode uit Frankrijk kwam waaien. Waar zouden we immers literair hebben gestaan zonder Sue, Verlaine, Baudelaire, Rimbaud, Mallarmé en Moréas? Vooral Verlaine heeft dankzij de inspanningen van Willem Kloos, die de Fransman lof toezong in het tijdschrift “De Nieuwe Gids” (en tegelijkertijd Mallarmé opzij schoof), in de negentiende veel bekendheid gekregen. De beeldende kunstenaars Philippe Zilcken en Jan Toorop waren de eersten die Verlaine uitnodigden naar Nederland. De rest is geschiedenis: het literair impressionisme (door Van Deyssel ‘Sensitivisme’ genoemd) bereikte zijn hoogtepunt.

Ik dwaal af. Ik had het over krantenstukjes.
Charles Dickens, dat was nog eens een krantenstukjesschrijver. Die vent schreef hele boeken vol met zijn wekelijkse of maandelijkse verhaaltjes in de krant. De bekende roman “Oliver Twist” heeft hij geschreven als feuilleton tussen 1837 en 1839, iedere week een stukje in de krant en aan het eind van ieder stukje zijn befaamde ‘cliff hanger’, waardoor de lezer reikhalzend uitzag naar de volgende aflevering.
Nederland kende ook een soort Dickens: P.A. Daum. Deze krantenuitgever in Nederlands-Indië schreef in de jaren ’80 van de 19e eeuw elke week in zijn eigen krant “Het Indisch Vaderland” een stukje onder het pseudoniem Maurits. Hieruit ontstonden romans als “Uit de suiker in de tabak” (1884) en “Goena-goena” (1889), die tot op de dag van vandaag zeker de moeite van het lezen waard zijn.
En wie kent niet de roman “Eline Vere” van Louis Couperus? Dit boek verscheen oorspronkelijk als dagelijks feuilleton in “Het Vaderland”. Of Louis Paul Boon die zijn columns gebruikte als de basis voor “De kapellekensbaan”. Herman Heijermans die internationale faam verwierf met zijn “Falklandjes”. Cary van Bruggen die het “Algemeen handelsblad” volschreef met haar ‘Van het platteland’.

Wij zijn inmiddels aanbeland bij de beginjaren van de 20e eeuw. Carmiggelt is in die jaren nog niet begonnen, maar met zulke voorgangers hoefde geen enkele schrijver zich meer te schamen voor de krant; de weg werd voor Carmiggelt geplaveid. Literair vond men het echter nog niet. Wat speciaal voor de krant werd geschreven beschouwden de meeste schrijvers als bijzaak, zelfs al verscheen het later in boekvorm. Couperus herschreef “Eline Vere” omdat de echte literatuur school in de geconstrueerde roman, het toneelstuk, gedicht, essay. In die enigszins bekrompen journalistieke wereld deed in 1936 de jonge Simon Carmiggelt zijn intrede. Hij nam het dagelijkse cursiefje over van zijn hoofdredacteur en doopte het ‘Kronkels’. Carmiggelt was echter geen Dickens, Daum of Couperus. “Een gefrustreerde romannensmid heb ik mij nooit gevoeld. De korte vorm is de mijne”, schreef hij in de inleiding van de bloemlezing “Een stoet van dwergen” (1961). Zijn stukjes waren superkorte, zelfstandige verhaaltjes vol humor en dramatiek. En, in tegenstelling tot de huidige columnisten, ver verwijderd van de actualiteit. De ‘Kronkels’ werden een ongekend succes en de rest is wederom geschiedenis: Carmiggelt werd een legende; zijn concurrenten waren (en zijn) goed, maar van Kronkels hebben ze geen kaas gegeten. Kees van Kooten, Remco Campert, Jan Blokker – die ooit begon á la Carmiggelt – en natuurlijk Renate Rubinstein (‘Tamar’) benader(d)en de meester nog het meest. Daarmee is alles ook gezegd, want om Carmiggelt te overtreffen moet je perfectionistisch zijn, moet je alleen voor je krantenstukje leven. Schrijven moet je, met de volledige overgave die een schrijver zichzelf behoort te verplichten. Schrijven, schrijven, schrijven, iedere dag weer.

Altijd veelbelovend

Een Frans dichter schreef eens: “Er is één ding erger dan alleen zijn en dat is willen dat je alleen was” en hoe waar dat ook voor velen mag zijn, Menno van der Beek denkt daar duidelijk anders over, getuige zijn nieuwe dichtbundel ‘Waterdicht’. De bundel is bezwangerd met de wens om met rust gelaten te worden, om de dichter alleen te laten met zijn gedachten, illusies en herinneringen.
Net als in zijn eerste bundel ‘Vergezocht’ (1999) betreffen deze herinneringen voornamelijk zijn overleden vader. In het eerste gedeelte van ‘Waterdicht’ speelt Van der Beek met alledaagse voorvallen om het beeld van zijn vader levendig te houden. In dit spel zoekt hij bewust de eenzaamheid op: “[…] Ik hoor de keukendeur. Dat is bezoek / maar ik blijf liggen, doe mijn ogen dicht: / ik zal nooit weten wie het is geweest. […]” (uit: ‘Amor Fati’).
Waarin ‘Waterdicht’ verschilt van ‘Vergezocht’ is de nadrukkelijke manier waarop de dichter zichzelf probeert te dwingen afstand te nemen van het verdriet over zijn overleden vader. In de gedichten tracht de schrijver naar buiten te treden, uit zijn eenzaamheid te stappen, om zo door te kunnen gaan met zijn leven. In het gedicht ‘Paradiso’ zelfs letterlijk: door het openen van een houten deur. Of door de hoop gevonden te worden in de kast waarin hij opgesloten zit, zoals in het openingsgedicht ‘Nunc Stans’. Bij tijd en wijle lukt het hem te ontvluchten.

Avatar

Ik eet al dagen niet. Ik loop met zijn portret
voor mijn gezicht. De meeste mensen
zullen dus denken dat ik iemand anders ben
met een bekend gezicht dat vreemde dingen zegt.

We lijken even groot, maar niemand weet
dat ik gewicht verlies, nog meer verliezen zal.

Er hoeft maar weinig te gebeuren. Als
ik een visioen krijg, zie ik eten.

Ik laat de foto uit mijn handen vallen
en pak een bord. Ik zal hem niet vergeten.

De gedichten in ‘Waterdicht’ zijn zeer persoonlijk. Dat blijkt uit alles: de onderwerpen, de consistentie van gedachten, maar ook uit de voelbare afstand die de schrijver heeft ingebouwd in zijn werk. Stuk voor stuk handelen de verzen over marginale, alledaagse gebeurtenissen, maar zoals zo vaak in gedichten, speelt wat tussen de regels staat een enorm belangrijke rol. Tussen die regels is verdriet te lezen, onmacht, verlies. Als Van der Beek schrijft dat hij een tand afbreekt of gewicht verliest, kan je haast niet anders lezen dan dat hij niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk iets van zichzelf verliest. Af en toe wil Van der Beek de weggelaten regels en verborgen boodschappen teveel aan de oppervlakte duwen, teveel aan de lezer laten doorschemeren, waardoor een gedicht behoorlijk aan kracht verliest. Dat gebeurt sporadisch, maar in de meeste van zijn verzen weet hij het aardig in bedwang te houden. Wat hij kwijt wil is veelal “maar de helft van het verhaal”. Hij doseert de woorden haast overdreven, misschien om de controle over de tekst niet te verliezen. In ‘Charlatan’ geeft hij het zelf al aan: “[…] De rust ontbreekt […] Wat overblijft is ongeveer de helft / van wat er overblijft.”
Van der Beek houdt niet alleen zijn inhoud in bedwang. De gedichten zelf, qua vorm en opbouw, zijn erg sober en beheerst. Ik zou ze haast ouderwets noemen, als ik niet zo’n hekel had aan het woord. Een aantal teksten is in een strakke sonnetvorm gegoten, de andere hebben er veel van weg. De vorm sluit naadloos aan bij de gedachte dat de gedichten veelal over hetzelfde handelen, hoewel telkens in een ander jasje. Routine en regelmaat tot in de puntjes verzorgd.

Grondhouding

Zo ver als mogelijk bij deze stad vandaan
in nat gras, met de handen in zijn zakken
gestrekt boven de grond in een net pak
midden in een weiland liggen. Een hectare

behaarde klei. Alleen van boven zichtbaar
trekt hij vertraagd zijn schouders op, verkrampt;
zijn nek verdwijnt. De tong tussen zijn tanden,
glimmende ogen in de camera,

die draaiend opstijgt: opgewekte kieviet
die steeds meer ziet. Daar schuiven aan de randen
boeren in beeld, de handen op de rug,

op zoek naar een gesprekje, maar dat wil hij niet.
Hij klopt zijn pak af met zijn natte handen
en holt het hele eind naar huis terug.

Menno van der Beek zei in een recent interview dat Achterberg voor hem de icoon is van wat dichterschap inhoudt. Hard werken dus. Schrappen, herlezen, krassen en meten. De voorliefde voor Achterberg in zijn werk is duidelijk, al was het alleen al vanwege de voorkeur voor een strakke vorm. Wie je verder proeft zijn Jan Kuijper, Hans Andreus en Bertus Aafjes, niet slechts vanwege de vorm, maar vooral vanwege de opzettelijke introverte opstelling van de dichter.
Maar Van der Beek is geen Aafjes, Andreus, Kuijper. Evenmin kan hij zich met de bundel ‘Waterdicht’ meten aan Achterberg. Van der Beek is een knap dichter die zich bewust is van wat hij schrijft. De gedichten zitten goed in elkaar, zijn erg beeldend en vertellen een groots en persoonlijk verhaal. Er is duidelijk gewerkt door Van der Beek; wat dat betreft openbaart zich de Achterberg in hem. De individuele gedichten zijn een degelijke resultaat van technische arbeid met hier en daar een enorme lading gevoel, maar toch… als je zo’n bundel leest lijkt het alsof een grijsgedraaide plaat is blijven steken, alsof Van der Beek zich niet los kan maken van één en dezelfde drijfveer: het continue herleven van de herinnering aan zijn vader.
Ik moet me, na de laatste woorden, haasten om te zeggen dat ‘Waterdicht’ wel degelijk een respectabele bundel is, die een plek in de boekenkast meer dan verdient. Als je een keer iets anders wilt lezen dan al die bekende grootheden, zou ik zeker aanraden om dit werk van Van der Beek te kopen.

Tot slot. Het sonnet ‘Inspecteur [I] (Inspecteur)’ is een van de gedichten waarin we, door zelfreflectieve elementen, de dichter persoonlijk aan het woord zien. De laatste drie strofen van dat gedicht wilde ik, namens mijzelf, aan Menno van der Beek opdragen:

[…]
Ik heb een paar uur op hem ingepraat
en daarna ruilden we van kleren en van plaats:

hij zit aan tafel voor zichzelf te schrijven
en zal wel altijd veelbelovend blijven

en ik ga met zijn jas de wereld in
om overal de schuldigen te vinden.

Menno van der Beek – Waterdicht, gedichten
Mozaïek, Zoetermeer 2002
48 blz.; € 11,90
ISBN 90 239 9063 3

Toeschouw

Louis Th. Lehmann zit niet stil, zelfs niet na de publicatie van de verzamelbundel Gedichten 1939-1998 in 2000. Lehmann, geboren te Rotterdam in 1920, is prozaïst, vertaler, meester in de rechten, archeoloog, doctor in de letteren en elke vrijdag d.j. voor de VPRO op Radio 5. Maar bovenal is hij dichter en met zijn nieuwste bundel Toeschouw bewijst hij dat eens te meer.
Lehmann begint zijn dichtersloopbaan in 1939 wanneer hij een aantal verzen publiceert in Werk, het tijdschrift van ondermeer Ed. Hoornik en Johan Daisne. In datzelfde jaar verschijnt zijn werk reeds tweemaal in een bloemlezing: in Dichters van dezen tijd (13de druk) en in In aanbouw, een gebruik waar hij zich later uitgesproken tegen afzet, getuige zijn beroemde uitspraak ‘Gij zult niet bloemlezen’. Lehmann: “Bloemlezen, had ik indertijd het idee, was een manier om van dichters te profiteren zonder er veel voor te betalen, en in het geval van schoolbloemlezingen zelfs zonder er toestemming voor te vragen. Met mijn gebod hoopte ik een massa-beweging te ontketenen, maar ik had slechts één volgeling: Lucebert.” (de Volkskrant, 15-12-2000).
Vanaf 1940 tot aan 1966 verschijnen er twaalf bundels van Lehmann, waarna het een aantal jaren stil is rond de dichter. Hij publiceert her en der nog wel wat, maar het duurt tot 1996 voordat er weer een serieuze publicatie in de boekhandel ligt. Hierna publiceert Lehmann tot aan de dag van vandaag weer met een gezonde regelmaat.

Toeschouw is de 19de bundel van Lehmann. De gedichten onthullen de veelzijdigheid van de dichter, een eigenschap die als vanzelfsprekend voortvloeit uit de jarenlange ervaring en het sterk veranderende literaire klimaat sinds zijn debuut. Toch is Lehmann, voor wie goed leest en herleest, bijzonder consistent in zijn verzen, al lijken de gedichten qua vorm en inhoud mijlenver uiteen te lopen.
Wat opvalt is zijn vrolijke, soms haast ironische toon. Of, zoals P.G.J. Korteweg in 1941 schreef, “het zou van slecht-hoorendheid getuigen, wanneer men niet in vele van deze gedichten getroffen werd door een stem die weliswaar vaak kolder praat, maar niettemin een stem is, een dichterlijk geluid.”

Poëzie

Poëzie scheert langs alles
wat mensen aangaat
en raakt niets,

net als politiek,
maar zonder kwade bedoelingen.

Arie van den Berg, recensent van het NRC, noemt Lehmann naar aanleiding van Gedichten 1939-1998 een ‘chroniqueur van het Amsterdamse stads- en straatleven’ ( NRC, 12-01-2001) en ook in Toeschouw doet Lehmann deze naam eer aan. De bundel opent met de cyclus ‘Tijdelijk eindeloos’ (in de eerste druk staat abusievelijk ‘Tiijdelijk’) waarin Lehmann in zeven korte gedichten terugblikt op zijn jeugd, over de ‘rechthoekige bruine buurt’, over zijn leeservaringen met Couperus, de geluiden van de stad, de bomen in de straat en de dromen over verre steden aan de kust. Het is een prachtig hermetisch geheel dat bol staat van sentiment zonder dat Lehmann zichzelf door dat sentiment laat meesleuren.
Zijn huidige woonplaats Amsterdam speelt zeker een hoofdrol in Toeschouw, maar het is niet de enige stad die de dichter in zijn verzen aandoet. De stadsmens, zoals hij zich in ‘Stedeling op reis’ noemt, komt in exotische oorden als Florida en Buenos Aires, en de wat minder exotische plaatsen Maastricht, Rotterdam en Den Haag. De laatste brengt de lezer weer terug bij Couperus: Men liet iets dat Couperus heeft gekend; / straatwanden strak, met sierlijke moulure / aan menig raam, haast renaissance allure, / op kluwen binnenstad vloeiend geënt, / waar de straatnamen tempo doeloe rekten. (‘Den Haag’, fragment). Zijn terloopse fascinatie voor Couperus in Toeschouw bereikt zijn hoogtepunt in het haast surrealistische gedicht ‘Couperisch taalgebruik’.

Couperisch taalgebruik

Couperus lag graag in het bedde.
Maar ging hij ook vaak in het badde?
Dat weten wij niet, maar men wedde
gewis niet voor niets, als hem hadde
het noodlot gegeven een heden
waarin ‘business as usual’ deden
Romeinse baden nog alla,
bijvoorbeeld die van Caracalla,
dat hij daarheen zou zijn geraced
wellicht op een ezelebeest.

Een plezierige kenmerk van de bundel Toeschouw is de gedoseerde mate waarin Lehmann zich bedient van allerlei versvormen. Van stug rijm tot het korte, vrije vers; van een (toneel)dialoog tot het zuivere sonnet. En altijd met dezelfde diepzinnige lichtvoetigheid en vervreemdend perspectief. Het geeft de bundel een krachtige vitaliteit mee, alsof de dichter wil zeggen: ‘kijk eens wat ik allemaal kan!’

En ja, hij kan het ook allemaal.

L. Th. Lehmann – Toeschouw
Uitgeverij De Bezige Bij, 2003
54 blz.; EUR 15,00
ISBN 9023410114

Waar we met steelse blik naar keken

Het is alweer een tijd geleden dat de debuutbundel Moedertaal van Stephan Soens verscheen bij uitgeverij De Distel. Het boekwerkje van bijna vijftig pagina’s lag al enige maanden op mijn bureau te wachten op een intensieve leesbeurt en een bespreking. Enige maanden…
Achteraf bekeken is het onbegrijpelijk hoe ik een bundel als deze van Soens steeds heb kunnen laten liggen, steeds heb gekozen voor het lezen van een andere bundel, een nieuwe roman of een willekeurig essay. Alle werken die in de afgelopen periode mijn aandacht hebben gekregen waren ‘wannahaves’ of veilige keuzes: Haasse, Van Vliet, Jaeggi, Ten Berge, Claes, Krol, noem maar op. Een recensent beperkt zich blijkbaar soms tot wat hij kent, sluit even het onverwachte buiten en laaft zich aan de geneugten van het voorspelbare.

Vanaf het eerste moment dat ik Moedertaal dan opensloeg en de eerste, krachtige regels las, kon ik de bundel niet meer wegleggen.
Dat moment begon voor mij op pagina 22 met het gedicht Taal, waarvan de openingsstrofe luidt: Dit vers loopt mank als een verzwikte voet / die over te veel woorden struikelt; de regels die volgen doen de opening zeker geen recht, want het vers is compact en staat als een huis. Wat Soens in het gedicht doet, is een prachtig staaltje zelfreflectie: hij schrijft een gedicht over het gedicht zelf, maar lijkt haast zelf al te weten dat de lezer hem zal tegenspreken, met hem in discussie zal gaan over het te veel aan woorden en de ‘overdaad’. Het is tevens een gedicht over dichten, een metatekst waarin je als lezer aan het einde ineens betrokken wordt bij het schaven en schrappen: Vette taal, verstijf / en strek je keel / Ik snij je over tot de strot / Ik been je uit tot op het bot. Zo ontstaat een vernuftig spel dat zich steeds terugvindt in dezelfde ambiguïteit: het vers loopt mank en zwelt als een zwezerik, maar is tegelijkertijd het resultaat van snijden en uitbenen.

Moedertaal bestaat uit vier cycli, te weten ‘Herinnering’, ‘De anekdotiek van alledag’, ‘Reisverslag van een spoorzoeker’ en ‘Opgedragen gedichten’. Al beweert de achterflap dat er op het eerste gezicht zowel naar vorm als thema weinig lijn te bespeuren valt (behalve dan binnen de vier afzonderlijke gedeeltes), toch zou je kunnen zeggen dat er één globaal idee in nagenoeg al de gedichten verscholen zit: het persoonlijke dagboek. Soens is sterk vanuit zijn eigen belevingswereld en herinneringen aan het werk. De hele bundel is in feite één groot egodocument. In tegenstelling tot vele andere dichters, vervalt Soens niet in een algemeen herkenbare dramatiek. Dichters (en recensenten) menen nogal eens dat het niet van poëtisch vermogen getuigt als een dichter alleen maar zijn eigen persoonlijke ervaringen aan het papier toevertrouwt – zelfs Enquist en Herzberg zijn onpersoonlijker gaan schrijven, terwijl vooral van Herzberg toch de persoonlijke teksten de mooiste en ontroerendste zijn. Toegegeven: veel amateur-schrijvers beperken zich tot het opschrijven van wat hun beweegt of wat ze hebben ervaren, met vaak de meest wanstaltige resultaten, maar Soens weet zijn herinneringen en gedachten heel subtiel in te pakken, is weinig complex en strooit niet met onverwerkte gevoelens. Een goed voorbeeld is ‘Heule – geboortedorp’. Een fragment:

Ik, linkshandige zonder gevoel voor richting
ken je kriskras uit het hoofd
Ik zie mijn ouders’ vaste stek
de huizen waar ze vroeger woonden
Ik hoor de hoefsmid om de hoek
de gensters uit de paarden slaan

De krasse kruidenier is weggevlakt
tot koude gevel van een bank
De toverbollen van een frank
waar we met steelse blik naar keken
zijn door de leegte opgezogen

[…]

Niet alles is zo zacht en zoet als bovenstaand gedicht. Soens laat ook zien over een gezonde dosis humor te beschikken. Het gedicht ‘Pinguïn’ laat dit goed blijken. Hij beschrijft het dier als een ‘Zeezieke waggel’ en een ‘flegmatieke glijmat’ en is, ondanks het enigszins gedwongen rijm, scherp en beeldend als hij schrijft: Van te veel hotsen / moeten zelfs de Schotten kotsen.
Ook het daaropvolgende gedicht, ‘Erotisch strijkijzer’, is erg geestig geschreven. Zonder ook maar een beetje vulgair te worden, of zelfs onbehoorlijk, weet Soens een metafoor neer te zetten waarbij een ieder zijn fantasie de vrije loop kan laten. Zelfs vulgair of onbehoorlijk.

Het enige dat naar mijn idee een beetje uit de toon valt in de bundel, is de afdeling ‘Reisverslag van een spoorzoeker’. Hoewel erg visueel, lijken de teksten in sommige strofen op herschreven stukjes uit een willekeurige reisgids. Ik krijg in ieder geval regelmatig de gedachte ‘je had er waarschijnlijk bij geweest moeten zijn’.
Soens’ stijl is hier ook geforceerder. Het lijkt alsof hij, in plaats van ter plekke foto’s te nemen, wanhopig zocht naar woorden en beschrijvingen voor hetgeen hij heeft gezien en meegemaakt. Het gebruik van ‘dure’ woorden neemt ernstige vormen aan (‘facetoog’, ‘fermenten’, ‘mimicry’, ‘roemers’), de gedichten raken doorspekt van iets te duidelijke alliteraties (‘Massieve mastodont van dode massa’, ‘Knotwilgen van kneukels’) en zijn stijl wordt prozaïscher. Niettemin zijn het af en toe mooie dingen die Soens schrijft. Het gedicht ‘Rapallo, tweede dag na 22h’ steekt in deze afdeling met kop en schouders boven de rest uit: […] Ik zoek het antwoord / en mijn pocket zwijgt / in alle talen.

Rest nog de afdeling ‘Opgedragen gedichten’. Persoonlijker kan het bijna niet en bij dergelijke gedichten (er zijn vele opgedragen gedichten op de wereld) bekruipt me vaak de angst dat ze niet voor mij, of voor welke buitenstaander dan ook, geschreven zijn. Soens bewijst echter dat hij ook gedichten als deze tegelijk persoonlijk en toegankelijk kan schrijven. Het titelgedicht ‘Moedertaal’ en ‘Temperament’ zijn verreweg de mooiste uit deze afdeling en misschien zelfs uit de hele bundel, maar ik kan natuurlijk niet alles overnemen. Toch wil ik u het volgende gedicht niet onthouden:

BLIJDE VERWACHTING
(voor Fien, eerste nichtje en vooral voor haar mama)

Je hebt me negen maand
bij naam genoemd
met ingehouden adem

Mijn hart klopt in je navel na

En nu ik lachend naast je lig
draag je me reeds op handen

Moedertaal van Stephan Soens is kortom een prachtig debuut met veel variatie. Niet dramatisch, niet geforceerd, niet te moeilijk of overdreven diepgaand. En het zeker niet waard om lang te laten liggen.

Stephan Soens – Moedertaal
Uitg. De Distel, Brussel 2002; 48 blz.; € 14,-

Niets dat zegt

Achterin haar eerste dichtbundel Niets dat zegt, legt Patricia de Martelaere (1957) uit dat het slechts gaat om een ‘volstrekt eenmalige gelegenheidsbundel’. Ze wil niet gezien worden als dichter, al zou de typering niet misstaan in het rijtje filosoof, essayist, romancier. Een gelegenheidsbundel met gelegenheidsgedichten, zo wil ze het graag zien. Toch, na lezing van de bundel, kan ze het idee niet wegnemen dat ze wel degelijk dichten kan.

Niets dat zegt bevat een selectie van de gedichten die De Martelaere de afgelopen twintig jaar heeft geschreven. Losse teksten, want het valt direct op dat een zichtbaar en duidelijk onderling verband tussen alle gedichten ontbreekt. De bundel is opgedeeld in drie delen, waarvan de eerste twee (met respectievelijk Nederlandstalige en Engelstalige teksten) de jaren 1980 tot 1985 omvatten en de laatste de periode 1992-1997. Een indeling gebaseerd op tijd dus, in plaats van een thematische. Je zou daarom misschien kunnen verwachten dat er een groei zichtbaar is; een dichter ontwikkelt zich immers meestal in de loop der jaren, leert schaven, strepen en kristalliseert de teksten langzaam uit tot definitieve staat. Althans, zo gaat het bij de meeste dichters.
Misschien is daarom De Martelaere geen dichter. De hele bundel staat namelijk vol van prachtige teksten, van de eerste periode tot aan de laatste. Qua vorm is er niet veel gewijzigd in die twintig jaar, qua thematiek evenmin. Liefde, dat is het kernwoord. Liefde, onzekerheid en een af en toe aan adoratie grenzende verlangen naar de ander. Maar het zijn geen clichés die De Martelaere verwoordt. Het zijn mooie overwegingen begeleid door subtiele beelden en metaforen.

Roodkapje en de (boze) wolf

Waarom mijn lippen zo rood
en mijn ogen diepzeeblauw?
Om je beter te kunnen zien,
om je beter te kussen – en mijn
handen zo zacht, mijn tanden zo
hard, mijn borsten zo blank – en mijn
warme buik? Om je beter te eten,
te nemen, aan te raken, uit te
roepen. En mijn hoofd zo windstilleeg –
je beter te kunnen vergeten.

Als De Martelaere iets in al die jaren heeft geleerd, dan is het de kunst van het weglaten. In de eerste twee delen van Niets dat zegt krijg je nog wel eens de indruk dat het ook wat minder had gekund, in de latere periode weet ze haar woorden erg mooi in te dammen en af te wegen. Ze weet steeds beter met de suggestie om te gaan, ze laat het meer en meer aan de lezer over om passages en woorden aan te vullen, net genoeg om niet voor de hand liggend te zijn. Dat het af en toe net niet werkt, blijkt wel uit dit gedicht:

Hij doet het weer (zo kijken).
Ter plaatse, halverwege, naar hem
toe, hoe niet bewegen, stoel van
hout, houd dit begeren
tegen, flesje van ether, stop
erop of er
vervliegt.

Naar mijn gevoel heeft De Martelaere bovenstaand gedicht te veel uit elkaar getrokken. De betekenis van het begeren staat te ver af van de metafoor over het ether. De ‘hij’ verliest zijn rol in de tekst; de erop volgende regels geven te veel beelden ineens, waardoor niet alleen het eerste deel wegvalt, maar ook de slotstrofe het niet meer recht kan trekken. Mooie metafoor, maar een matige uitvoering.

Voor zover het mijn mening aangaat, was het gedicht ‘Hij doet het weer’ de enige rotte appel in de mand. Al staan de Engelse gedichten enigszins onbeholpen in de bundel, over het algemeen kan ik niet anders dan zeggen dat Patricia de Martelaere met deze bundel heeft laten zien dat ze, hoe onbedoeld ook, een erg bekwaam dichter is. Het zou jammer zijn als het bij deze ene zou blijven. Prachtig, ingetogen werk:

In de tuin

Wij in dit grote gras, klaver, paardebloem
en wat er wriemelt, wat ingewikkeld

wordt: de rups, de wingerd. Waaronder wij,
weer overhoop, weer door elkaar. Wij lijken

wel. Volkomen. Verwarder dan mieren, in
dit bijzijn van de tuin, waarin begrepen:

deze wildernis. Wat er aarzelt, water valt
erover, stort, en wordt van kracht.

Patricia de Martelaere – Niets dat zegt
Meulenhoff, 2002
ISBN 90290 71311

De zang van de merel die zingt

Slechts twee bundels uitbrengen in ruim twintig jaar, daar kun je niet van leven. Dana Hokke (pseudoniem van D. Constandse) is dan ook geen broodschrijfster, maar een bescheiden dichteres met een karig repertoire. Haar verleden kenmerkt zich door een vastgeworteld wantrouwen “jegens de toereikendheid van de taal”, al is deze taal het enige medium waarmee ze haar gevoelens probeert te uiten. Haar gedichten zijn dan ook doorgaans kort, onderzoekend, maar vooral vragend.
Haar debuut was in 1981, toen bij uitgeverij De Arbeiderspers de bundel Gebroken wit verscheen, een verzameling teksten die geschreven zijn in de periode 1964-1976, “een periode die door de dichteres als een in diverse opzichten pijnlijk isolement werd ervaren”. Het was, terugkijkend, een verrassend debuut. Met een lichte toon wist deze nieuwkomer op een treffende wijze de natuur te combineren met emoties en gevoelens, met wetenschap en literatuur. Een mooi voorbeeld uit de bundel is het gedicht ‘Literatuurgeschiedenis’.

Literatuurgeschiedenis

Het lied losgemaakt van zijn melodie
werd een gedrukt intellectueel
vermaaksel
niet meer geademd van mond op oor
maar van de hand in het oog gehouden.

Straks wordt er alleen nog maar
afstand geschapen.

(uit ‘Gebroken wit’, p.19)

Deze toon weet zij behoorlijk goed vast te houden in de bundel en ook in de jaren er na als zij sporadisch iets publiceert in Hollands Maandblad, Maatstaf of een andere periodiek. Tot het uitgeven van een nieuwe bundel komt het echter niet. Waarschijnlijk wegens een gebrek aan bruikbaar materiaal of misschien zelfs vanwege desinteresse van de kant van de uitgever. Want als vervolgens in 2002 haar tweede bundel verschijnt, De zang van de merel die zingt, is dat niet bij De Arbeiderspers, maar bij De Beuk, de stichting voor literaire publicaties uit Amsterdam. Ontbreekt het haar nieuwe bundel dan aan kwaliteit? Wie het openingsgedicht leest zou denken van niet:

Vertrek

De kamer wordt wijd als een boek.

Licht van binnen komt licht tegemoet,
het raam waait naar buiten open,

gazen gordijnen, doorzichtig als wind
de woorden beweegt, ademen in en uit.

Tussen de regels heenkomen zoeken.

(uit ‘De zang van de merel die zingt’, p.5)

De stijl uit haar eerste bundel heeft zij in dit gedicht zichtbaar behouden. Al zijn we in de literatuurgeschiedenis twintig jaar verder, een dergelijke manier van schrijven is haast tijdloos; herkenbare beelden toegepast op een alledaagse metafoor. Niet te veel woorden, niet te weinig. Althans, wat dit gedicht betreft.
De gedichten die volgen op de overige 33 pagina’s zijn, op een enkele uitzondering na, helaas net zo oubollig als de titel van de bundel doet vermoeden. Veel van hetzelfde, een voortdurend pingpongspel met tegenstellingen (in bijna de helft van de gedichten wordt er halverwege een omwenteling ingeluid door “maar…”), erg voor de hand liggende beeldspraken (boomringen als levensjaren) en vooral de op den duur vervelende verwijzingen naar wind, water, licht en alle varianten hierop. Na een aantal van dergelijke natuurgedichten weet je het wel: wind blaast of is stil, licht schijnt of ontbreekt, water weerspiegelt of valt uit de hemel omlaag.

Ook het taalgebruik van Dana Hokke is sinds haar debuut sterk achteruitgegaan. De toegankelijkheid van haar eerste bundel is in sommige gedichten nog wel terug te vinden, maar regelmatig verliest zij zich in rijmelarijen. Het is geen mooischrijverij waarvan je beginnende dichters nog wel eens kunt beschuldigen, maar af en toe sluipt er een zinnetje het gedicht binnen, waardoor de hele tekst aan gevoel inboet: “Jij alleen bent er voortdurend niet” (uit ‘Weer’), “Dan keek hij daarin / wat er gaande was, wanneer ik vroeg / hoe het ging” (uit ‘In het voorbijgaan’), “Mij maakt samen bang.” (uit ‘Het diepe’).
Et cetera zou hier zeker niet misstaan.

De zang van de merel die zingt is een verzameling gedichten die, in vergelijking met Gebroken wit, erg tegenvalt. Hier en daar schemert nog iets van het gevoel uit de oude gedichten door, zoals in ‘Vertrek’ of het fraaie gedicht ‘Uiteindelijk’, maar over het algemeen zijn het niet meer dan een aantal routinematig opgeschreven niemendalletjes, waarmee geen enkele dichter broodschrijver zou kunnen worden. Laat staan kunnen aankloppen bij De Arbeiderspers.

Dana Hokke – Gebroken wit
Uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam 1981
32 blz., niet in reguliere boekhandel
ISBN 90-295-2040-X

Dana Hokke – De zang van de merel die zingt
De Beuk, 2002
ISBN 9069754215

Spectroscoop

De wereld waarin de poëtische geest van de jonge dichteres Jannah Loontjens (1974) zich heeft kunnen ontwikkelen zou je, als je hem vergelijkt met die van haar generatiegenoten, benijdenswaardig kunnen noemen. Ze werd geboren in Kopenhagen, groeide op in Zweden en in Nederland en verbleef enige tijd in New York. Ze studeerde filosofie van kunst en cultuur in Amsterdam (gespecialiseerd in Heidegger en Hölderlin) en draagt regelmatig poëzie voor op diverse podia. Kortom: een vrouw met gemêleerde ervaringen en vermoedelijk een breed referentiekader.
Bij uitgeverij De Beuk verscheen vorig jaar de debuutbundel van Jannah Loontjens: ‘Spectroscoop’. Hoe angstvallig ik het ook probeerde, ik kon niet nalaten bovengenoemde biografische gegevens mee te nemen tijdens het lezen van de gedichten. Ik weet het: een boek of een bundel zou eigenlijk niet op de literair-historische of sociologische achtergrond van de auteur beoordeeld mogen worden, maar veeleer op basis van de kwaliteit van het geschrevene. Wijze woorden en een lovenswaardig principe, desalniettemin in het geval van Loontjens een weinig haalbare zaak. Misschien juist door haar opmerkelijke geschiedenis probeer je tijdens het lezen daar iets van te proeven, probeer je te achterhalen wat zij van zichzelf aan haar tekst heeft meegegeven en soms, heel af en toe, licht ze een tipje van de sluier:

[…]
beroemde namen van mensen
verdwalen in haar ogen
tussen steden, triomfbogen
gebruiksaanwijzingen
van vergeten automaten
[…]

(uit: Toeval, p.43)

En daar blijft het zo’n beetje bij. Geen globetrotterfantasieën, geen eindeloze wandelingen in de bossen van de wereld, geen gepeins over de verschillen in cultuur. Nee, ‘Spectroscoop’ is niet de autobiografische afspiegeling die iemand zou kunnen verwachten. Het is een verzameling gedichten met één terugkerend element: taal.
Geen opmerkelijke conclusie als je bedenkt dat het onderzoek van Loontjens gaat over de betekenissen die door taal gevisualiseerd worden (“Vision in Language and Language in Vision: The Visibility of Meaning”). Zelf zegt ze over de bundel naar aanleiding van de titel ‘Spectroscoop’: “Een kleur beweegt zich altijd tussen andere kleuren, is altijd onderweg, net als betekenissen die uit hun relaties met andere betekenissen worden opgebouwd. Met een spectroscoop worden aan de hand van kleurmetingen betekenissen vastgelegd, in gedichten gebeurt bijna het omgekeerde: lagen van betekenissen worden in taal gevisualiseerd.”

Loontjens beschouwt metaforen of verbale beelden als de hoekstenen van de taal: “De dingen zijn nooit enkelvoudig, maar zijn altijd opgenomen in spectra. Voor mij ontstaat elk gedicht op een raakpunt van verschillende spectra, dat de dingen met elkaar verbindt.” Een gedicht als ‘Eenzaam’, dat vol metaforen zit, is een voorbeeld van hoe zij de lezer voortdurend forceert te visualiseren.

Eenzaam

langsglijdende autolichten
buigen zich over meubels,
maken ze statisch
zoals alleen onverschilligheid
dat kan

regen laat de ruiten golven
mijn blik rust op een plant
enkele gedachten
die zich in warme adem uiten
bewaar ik
in de palm van mijn hand

‘Eenzaam’ is zeker niet het sterkste gedicht uit ‘Spectroscoop’, maar wel kenmerkend voor de manier waarop Loontjens speelt met beelden en beeldspraak. En niet te vergeten: taal. In nagenoeg ieder gedicht proef je de taal en het moet gezegd worden: haar visie op taal is heel verfrissend. Niet alleen analyseert ze met haar gedichten de werking van de taal, ze laat de taal ook optreden als aanstichter, als troost, als geweten. De taal uit zich in overpeinzingen, openbaart zich in straatnamen en reclameteksten, maar ook in stiltes en af en toe in een eeuwigdurend zwijgen – de taal als initiator van gedachten.

[…]
zo heb ik in mijn slaap
het woord ‘ik’ geleerd
in de droom
waarin onze namen zijn
omgekeerd
[…]

(uit: Radiusthesie, p.27)

Maar het meest van alles toont Loontjens haar spel met de verbeelding, en van haar vakmanschap daarin overtuigt zij over de gehele breedte van de bundel. Loontjens is een mysterieuze vertelster, een betrokken analist, een dromerige wandelaar en niet in de laatste plaats een overtuigend filosofe. Zelden een filosoof gelezen, die ik zo gemakkelijk kon begrijpen.

Jannah Loontjens – Spectroscoop
De Beuk, 2001
ISBN 9069754037